9.2.Dat verweerder ter zitting verwijst naar de foto’s die eiser in het geding heeft gebracht, is ook onvoldoende om aan te nemen dat de poeren zo zijn geplaatst dat die ervoor zorgen dat deze ongelijk worden belast en daardoor een zetting ontstaat. Dit is niet voor alle balkenrijen vast komen te staan. Ook de opmerking van Handgraaf op de zitting van 6 oktober 2022, dat de zetting niet kan worden opgevangen omdat deze zich voortzet door het gekozen funderingssysteem, volgt de rechtbank niet. Volgens de rechtbank impliceert deze voortzetting niet een zwaardere belasting van één stiep ten opzichte van de andere, maar een doorlopend zettingsproces van alle stiepen, onder invloed van elkaar. Daar is geen sprake van, omdat de zetting schuin afloopt.
10. Ook is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat de inhomogeniteit van de ondergrond per definitie zorgt voor zettingsverschillen. Dit, allereerst gelet op hetgeen de rechtbank reeds in rechtsoverweging 9 – 9.2 heeft overwogen. Daarbij komt dat de rechtbank Meiborg volgt in zijn standpunt dat verweerder in de berekening is uitgegaan van onjuiste waarden: de waarden waar verweerder in de berekening vanuit gaat is deels afhankelijk van de invloed van de belasting op de ondergrond en ook het materiaal waar de ondergrond uit bestaat. De omstandigheid dat verweerder geen onderzoek op het perceel heeft gedaan, is daarbij van belang, omdat de samenstelling van de ondergrond op het perceel daarmee eveneens niet vast is komen te staan. Daarmee is ook niet duidelijk geworden wat de invloed van de belasting op ondergrond is en daarmee ook niet op de zetting.
11. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte stelt dat na 1997 een nieuw zettingsproces is ontstaan. Ook bij dit oordeel speelt de lokale ondergrond een rol maar ook de omstandigheid dat de vloer sinds de jaren 40 van de vorige eeuw reeds wordt belast en daarmee is uitgezet. Meiborg heeft ter zitting erop gewezen dat bij sommige kleisoorten, waarbij de ondergrond volledig is geconsolideerd door de jarenlange belasting daarop, de ondergrond terugveert en er geen nieuwe zetting optreedt bij een nieuwe lichtere belasting. De rechtbank acht in dat kader relevant dat vast staat dat de huidig geplaatste vloer minder zwaar is dan de voorheen geplaatste massief eikenhouten vloer. De rechtbank passeert daarmee het betoog van Loohuis dat het zettingsproces hoe dan ook plaatsvindt bij een herbelasting, ongeacht het gewicht.
12. Bij de beoordeling van alle door de deskundigen genoemde oorzaken acht de rechtbank van belang dat het schadebeeld -een zetting van de vloer vanaf de fundering van de oude woning in de richting van de tegenoverliggende hoek van aanbouw- haaks staat op genoemde oorzaken. Uitgaande van de genoemde oorzaken zou de zetting van de vloer zich veeleer moeten bevinden in het deel van aanbouw gelegen direct naast de oude woning en niet aflopend naar de hiervoor genoemde hoek.
13. Bij het oordeel van de rechtbank dat het bewijsvermoeden niet is weerlegd acht de rechtbank tot slot ook van belang dat verweerder niet consistent is geweest in de beoordelingen van de autonome oorzaak van de schade. Verweerder heeft ten tijde van het beoordelen van de aanvraag, in bezwaar en in beroep vijf verschillende deskundigen ingeschakeld: Haverkort, Drogt, Lubbers, Handgraaf en Loohuis. Deze deskundigen hebben deels uiteenlopende autonome schadeoorzaken aangewezen en ook zijn de autonome schadeoorzaken verschillend onderbouwd, waarbij (veelal) van onjuiste feiten is uitgegaan.
14. Verweerder heeft geen andere autonome oorzaak aangewezen en heeft daarmee het bewijsvermoeden niet weerlegd.
15. De rechtbank ziet gelet op hetgeen in rechtsoverweging 13 is overwogen geen aanleiding om verweerder de gelegenheid te bieden nader bewijs te leveren ter onderbouwing van de stelling dat het bewijsvermoeden kan worden weerlegd. Verweerder moet daarom overgaan tot het vaststellen van herstelmethodieken, het begroten van de herstelkosten en dient verweerder te beslissen over de hoogte van de toe te kennen vergoeding.