De zaak betreft de herziening en terugvordering van de WW-uitkering van eiser over december 2021 en maart 2022 door het UWV vanwege inkomsten uit arbeid in november 2021 en februari 2022. De rechtbank stelde in een tussenuitspraak dat het UWV onvoldoende zorgvuldig onderzoek had verricht en de besluiten onvoldoende had gemotiveerd, met name ten aanzien van de onevenredigheid van de gevolgen voor eiser.
Het UWV heeft vervolgens de geconstateerde gebreken hersteld door nadere motivering te geven, waarin werd aangegeven dat eiser niet eerder dan oktober 2022 had gesteld onder het bestaansminimum te zijn gekomen en dat er geen signalen waren van acute financiële problemen. Het UWV handhaafde de vaste gedragslijn voor toerekening van inkomsten.
Eiser voerde aan dat het beleid niet evenredig was en dat hij door de toerekening feitelijk geen inkomen had in twee maanden, wat onder het bestaansminimum zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV voldoende had onderbouwd dat de gevolgen niet onevenredig waren en dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij daadwerkelijk in financiële problemen was gekomen.
De rechtbank bevestigde het oordeel uit de tussenuitspraak dat de oorspronkelijke besluiten onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd waren en daarom niet rechtmatig. Omdat het UWV de gebreken inmiddels had hersteld, werden de rechtsgevolgen van de besluiten in stand gelaten. De beroepen van eiser werden gegrond verklaard, het griffierecht en proceskosten werden aan eiser vergoed.