ECLI:NL:RBNNE:2023:2693

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 juli 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
18-149194-21 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepteelt en diefstal

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 7 juli 2023 een vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €334.457,44 van veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt en diefstal van elektriciteit en drinkwater.

De officier van justitie baseerde de vordering op een rapport waarin meerdere oogsten werden verondersteld, terwijl de verdediging betoogde dat slechts één oogst aannemelijk was en dat de opbrengst daarvan reeds in beslag was genomen, zodat geen voordeel was genoten. Tevens werd een overschrijding van de redelijke termijn aangevoerd.

De rechtbank oordeelde dat de bewezenverklaarde feiten zich beperkten tot de periode van 1 maart tot 13 april 2021 en dat er onvoldoende bewijs was voor eerdere oogsten of voor het genieten van wederrechtelijk voordeel. Ook de vrijspraak voor stroomdiefstal vóór die periode maakte het aannemelijk dat geen voordeel uit eerdere oogsten was verkregen.

Gelet op deze feiten en het ontbreken van voldoende bewijs wees de rechtbank de vordering tot ontneming af, met toepassing van artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van genoten voordeel.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Assen
Parketnummer 18.149194.21
Beslissing van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

veroordeelde, geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 16 mei 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde hoofdelijk de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 354.074,80 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.149194.21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
Ter terechtzitting van 23 juni 2023 heeft de officier van justitie de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gewijzigd in die zin dat de door [bedrijf 1] geleden schade, welk bedrag reeds door veroordeelde is vergoed, in mindering zal worden gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank aan veroordeelde hoofdelijk de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 334.457,44 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 23 juni 2023. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Veld, advocaat te Assen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Standpunten

De officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat veroordeelde hoofdelijk zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door hem na een ter terechtzitting gedane wijziging wordt geschat op € 334.457,44. De officier van justitie is daarbij uitgegaan van het ‘Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht’ d.d. 6 mei 2021.
De verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat veroordeelde geen voordeel heeft genoten van de strafbare feiten zoals in de strafzaak ten laste zijn gelegd. De raadsvrouw heeft daartoe primair aangevoerd dat aan de hand van de in het ‘Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht’ genoemde indicatoren niet kan worden vastgesteld hoeveel oogsten er zijn geweest. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in voornoemd rapport onterecht is uitgegaan van 8 eerdere oogsten en slechts kan worden uitgegaan van één eerdere oogst. De opbrengst van deze oogst is door opsporingsambtenaren in de garage aangetroffen en in beslag genomen, zodat veroordeelde hiervan geenszins voordeel heeft genoten. Tot slot heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat deze overschrijding - mocht de rechtbank tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering van de officier van justitie komen - zou moeten leiden tot een korting op het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 7 juli 2023 in de zaak met parketnummer
18.149194.21 onder meer veroordeeld ter zake het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 1 maart 2021 tot en met 13 april 2021. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ontnemingsvordering uit van de strafbare feiten zoals in het vonnis zijn bewezenverklaard.
De rechtbank overweegt dat veroordeelde is vrijgesproken van het op illegale wijze afnemen van stroom in de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 januari 2021. De rechtbank merkt op dat, zou de hennepkwekerij al vóór de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode in werking zijn geweest, ten behoeve daarvan ook in die periode op illegale wijze stroom moet zijn afgenomen waarvan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken. Voornoemde vrijspraak strookt aldus niet met de mogelijkheid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit eerdere oogsten van vóór de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode, te weten 1 maart 2021 tot en met 13 april 2021. Door het in de tenlastelegging ontbreken van het jaartal waarin het strafbare feit moet zijn gepleegd is de rechtbank uitgegaan van het jaar 2021. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank slechts aannemelijk geworden dat sprake is geweest van één eerdere oogst, waarvan de opbrengst in beslag is genomen.
Nu naar het oordeel van de rechtbank ook op grond van de overige bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van een of meer van de ten laste gelegde feiten, kan veroordeelde om die reden, met inachtneming van artikel 36e Wetboek van Strafrecht, niet worden veroordeeld tot betaling van enig wederrechtelijk verkregen voordeel. Gelet hierop zal de rechtbank de ontnemingsvordering afwijzen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.
Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. H. Supèr, rechters, bijgestaan door mr. M. Mans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 juli 2023.
Mr. H. Supèr is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.