Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats], eiser
de korpschef van politie (verweerder)
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie).
Inleiding
Plichtsverzuim
Op grond van artikel 76, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp kan wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag worden opgelegd.
Verminderde toerekenbaarheid
geenformele beperking veroorzaakt in zijn vrijheid van wil en handelen, maar vormden wel een emotionele belasting in een periode waarin betrokkene op meerdere gebieden onder druk stond.
geenaanwijzingen voor, destijds aanwezige, overige somatische en/of psychiatrische defecten/factoren die van invloed kunnen zijn geweest op zijn vrijheid van wil en handelen. Zodoende achten wij zijn wilsbekwaamheid intact ten tijde van de hem verweten gedragingen. Er is géén sprake geweest van een zodanig ‘medisch’ defect dat hij zijn wil en handelen, bestaande uit het hem verweten plichtsverzuim, niet of maar gedeeltelijk in vrijheid kon bepalen. In het bijzonder valt te noemen dat het doorgemaakte CVA buiten de psychologische nasleep (welke valt onder de benoemde aanwezige psychische klachten) naar alle waarschijnlijkheid op basis van de locatie niét van directe invloed is geweest op zijn karakter of emoties, en zoals beschreven géén blijvend medisch letsel heeft veroorzaakt.”
geenaanwijzingen voor beperkingen in zijn inzicht van ‘toelaatbaar’ en ‘ontoelaatbaar’ gedrag ten tijde van de hem verweten gedragingen. De destijds aanwezige psychische klachten (zoals beschreven in het antwoord op vraag 1) hebben naar onze mening geen invloed kunnen uitoefenen op het inschatten van gedrag.