ECLI:NL:RBNNE:2023:2785

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2023
Publicatiedatum
7 juli 2023
Zaaknummer
C/18/223491 / KG RK 23-197
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:60 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:18 AwbArt. 4 lid 2 onder f Wrakingsprotocol rechtbank Noord-Nederland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid tweede wrakingsverzoek tegen rechters bestuursrechtelijke zaak

In deze zaak hebben verzoekers een tweede wrakingsverzoek ingediend tegen de meervoudige kamer van de sector bestuursrecht van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, die de procedure tussen verzoekers en de Nationaal Coördinator Groningen behandelt.

Het eerste wrakingsverzoek was gericht op het vermeende te late informeren over het meebrengen van een deskundige door de NCG, wat volgens verzoekers de onpartijdigheid van de rechters schaadde. Dit verzoek werd op 8 juni 2023 kennelijk ongegrond verklaard. Het tweede wrakingsverzoek tracht dezelfde grondslag, zij het anders geformuleerd, opnieuw aan te voeren.

De wrakingskamer oordeelt dat een rechter alleen gewraakt kan worden bij objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, en dat alle gronden voor wraking gelijktijdig moeten worden ingediend. Omdat het tweede verzoek geen nieuwe feiten bevat en slechts een herhaling van het eerste is, wordt het niet-ontvankelijk verklaard. Tevens wordt een wrakingsverbod opgelegd om misbruik van het wrakingsmiddel te voorkomen.

De procedure wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond bij het indienen van het tweede verzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het tweede wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard en een wrakingsverbod opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/223491 / KG RK 23-197
Beslissing van 23 juni 2023
van de meervoudige wrakingskamer op het verzoek van
[verzoekers]
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verzoekers,
strekkende tot de wraking van
mrs. A.W. Wassink, H. Brouwer en M.R. Gans,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijk wrakingsverzoek van 15 juni 2023, ingekomen bij de griffie op 16 juni 2023;
- de schriftelijke reactie van de rechters van 20 juni 2023, ingekomen bij de griffie op diezelfde dag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de meervoudige kamer van de sector bestuursrecht in deze rechtbank, locatie Groningen, die is belast met de behandeling van de zaak met zaaknummer LEE AWB 21/1276, kort gezegd een procedure tussen verzoekers en de Nationaal Coördinator Groningen (hierna: NCG). Verzoekers zijn eisers in die procedure.
2.2.
De verzoekers hebben in de hiervoor genoemde zaak eerder een verzoek tot wraking van de meervoudige kamer ingediend (hierna: het eerste wrakingsverzoek). Dit verzoek is bij beslissing van 8 juni 2023 door de wrakingskamer kennelijk ongegrond verklaard. Uit die beslissing komt naar voren dat de verzoekers aan het eerste wrakingsverzoek het volgende ten grondslag hebben gelegd:
"2.2. Uit het schriftelijke wrakingsverzoek blijkt dat verzoekers - kort samengevat - aan hun verzoek ten grondslag hebben gelegd dat de rechters in strijd met de wet hebben gehandeld door de NCG toe te staan om een deskundige ( [deskundige] ) mee te nemen naar de zitting, terwijl hiervan niet tijdig aan verzoekers mededeling is gedaan zoals artikel 8:60 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorschrijft. De verzoekers stellen dat de rechters andere regels hanteren voor de overheid dan voor de burger, waardoor het vertrouwen in een onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak is geschaad. "
2.3.
Uit het schriftelijke wrakingsverzoek van 15 juni 2023 (hierna: het tweede wrakingsverzoek) komt naar voren dat de verzoekers zich naar aanleiding van de beslissing op het eerste wrakingsverzoek genoodzaakt zien tot het indienen van een tweede wrakingsverzoek. Aan dit tweede wrakingsverzoek leggen verzoekers ten grondslag dat de NCG te laat mededeling heeft gedaan van het meebrengen van een deskundige naar de zitting van 10 mei 2023, door de rechtbank slechts twee dagen voorafgaand aan die zitting hiervan in kennis te stellen. Verzoekers hebben die betreffende brief twee dagen na de zitting van 10 mei 2023 doorgestuurd gekregen. Verzoekers stellen dat de overheid (in casu de NCG) hierdoor in strijd met artikel 8:60 Awb Pro heeft gehandeld en dat de rechters, door dit handelen toe te laten, de wet niet correct hebben toegepast en hun partijdigheid daardoor hebben getoond.
2.4.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten.

3.De beoordeling

3.1.
De wrakingskamer overweegt dat een rechter alleen gewraakt kan worden indien zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Vooropgesteld overweegt de wrakingskamer dat tegen de beslissing van 8 juni 2023 geen ander rechtsmiddel open staat, dan cassatie in het belang der wet.
3.3.
Voor zover de verzoekers met het tweede wrakingsverzoek de grond uit het eerste wrakingsverzoek hebben willen toelichten of aanvullen, overweegt de wrakingskamer dat uit artikel 8:16, derde lid, Awb volgt dat alle feiten en omstandigheden die tot een wrakingsverzoek hebben geleid, tegelijk moeten worden voorgedragen. In geen geval is het mogelijk dat verzoekers de gronden van een wrakingsverzoek nader schriftelijk toelichten of aanvullen. De wet biedt die mogelijkheid evenmin wanneer de beslissing op een wrakingsverzoek, zoals in dit geval, al is genomen.
3.4.
De wrakingskamer overweegt daarnaast dat uit artikel 8:16, vierde lid, van de Awb naar voren komt dat een volgend verzoek in dezelfde procedure om wraking van dezelfde rechter(s) niet in behandeling genomen wordt, tenzij er feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker(s) bekend zijn geworden. De wrakingskamer is van oordeel dat aan dit vereiste niet is voldaan, nu verzoekers aan het tweede wrakingsverzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag hebben gelegd. Het tweede wrakingsverzoek is er kennelijk op gericht om alsnog een oordeel van de wrakingskamer te verkrijgen over dezelfde grond, zij het anders geformuleerd, die eerder aan het eerste wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daar is het middel van wraking niet voor bedoeld. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de rechters na het indienen van het eerste wrakingsverzoek nog enige handelingen in de hoofdzaak hebben verricht die tot gegrondverklaring van het tweede wrakingsverzoek zouden kunnen leiden.
3.5.
Op grond van het voorgaande komt de wrakingskamer dan ook tot de conclusie dat de verzoekers niet-ontvankelijk zijn in het tweede wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan op grond van artikel 4 lid 2 onder Pro f van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Nederland achterwege blijven.
Wrakingsverbod
3.6.
Omdat verzoekers met het tweede wrakingsverzoek het middel van wraking lichtvaardig en zonder enige verdere grondslag hebben ingezet, ziet de wrakingskamer aanleiding om artikel 8:18, vierde lid, Awb toe te passen en te bepalen dat een volgend verzoek van verzoekers tot wraking van de rechters die zijn belast met de behandeling van de zaak met zaaknummer LEE AWB 21/1276 niet in behandeling wordt genomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
verklaart het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk;
4.2.
bepaalt dat de procedure met zaaknummer LEE AWB 21/1276 wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
4.3.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek door of namens [verzoekers] in deze procedure niet in behandeling wordt genomen;
4.3.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- verzoekers;
- mrs. A.W. Wassink, H. Brouwer en M.R. Gans,
- de partijen in de hoofdzaak.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Brinksma, voorzitter, M.A.M. Wolters en C.W. Couperus-van Kooten, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2023 in aanwezigheid van mr. H.J. Boon als griffier.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.