Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.1. Procesverloop
2.2. Beoordeling
3.Beslissing
mr. F. Brekelmans.
Rechtbank Noord-Nederland
In een procedure over de WOZ-waarde van een onroerende zaak voor het jaar 2021 diende verzoekster een wrakingsverzoek in tegen de rechter die de zaak behandelde. Het verzoek was gebaseerd op het argument dat de rechter geen onderdeel uitmaakt van de aardbevingskamer en daardoor onvoldoende kennis zou hebben van de aardbevingskwestie die aan de zaak ten grondslag ligt.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van het vereiste dat er objectieve en zwaarwegende aanwijzingen moeten zijn voor rechterlijke vooringenomenheid. Daarbij werd benadrukt dat het wrakingsmiddel niet mag worden gebruikt als verkapt rechtsmiddel tegen onwelgevallige procesbeslissingen. De beslissing van de rechter om de zaak niet te voegen met andere aardbevingszaken werd gezien als een procesbeslissing waarover de wrakingskamer in beginsel niet oordeelt.
Omdat er geen feiten of omstandigheden waren die een vermoeden van vooringenomenheid rechtvaardigen, werd het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaard. De procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek werd achterwege gelaten.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is kennelijk ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.