De gemeente Het Hogeland organiseerde een verkoopprocedure voor het voormalige gemeentehuis in Bedum, waarbij drie biedingen werden ontvangen, waaronder die van stichting Roemte. De procedure was gebaseerd op een verkoopleidraad met criteria voor prijs en kwaliteit, waarbij ook inwoners konden stemmen op gewenste bestemmingen. Roemte eindigde als tweede en kreeg de koop niet gegund.
Roemte stelde dat de bieding van € 1,00 van een derde partij manipulatief en niet marktconform was en dat de beoordeling van de kwaliteit ongelijk was, omdat de trouwfunctie van het gebouw anders was meegewogen. De rechtbank oordeelde dat de bieding van € 1,00 niet uitgesloten was omdat geen verbod was gesteld en dat het aanbestedingsrecht niet van toepassing was op deze verkoopprocedure.
Verder concludeerde de rechtbank dat de gemeente de verkoopprocedure in overeenstemming met het Didam-arrest had uitgevoerd, met voldoende transparantie en objectieve criteria. De stelling van ongelijkheid in de beoordeling van de bestemmingen werd verworpen, omdat de trouwlocatie volgens de stukken ook onder maatschappelijke doeleinden kon vallen en Roemte onvoldoende had onderbouwd waarom dit anders moest.
De voorzieningenrechter wees de vorderingen van Roemte af en veroordeelde haar in de proceskosten. Het vonnis bevestigt dat overheidslichaam bij verkoop onroerende zaken gebonden is aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar dat de gemeente hier zorgvuldig en rechtmatig heeft gehandeld.