ECLI:NL:RBNNE:2023:3203

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
1 augustus 2023
Publicatiedatum
2 augustus 2023
Zaaknummer
18-159143-21
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsvordering wegens medeplegen hennepkwekerij vastgesteld op €108.000

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 1 augustus 2023 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie een ontnemingsvordering had ingesteld tegen veroordeelde wegens medeplegen van een hennepkwekerij.

De officier van justitie stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €1.654.750,-, gebaseerd op tien oogsten van in totaal 1.280 kilo hennep, met een opbrengst van €4.070 per kilo, minus kosten. De vordering werd verdeeld over drie daders, waardoor het deel van veroordeelde neerkwam op dit bedrag.

De verdediging voerde aan dat het voordeel maximaal €108.000,- kon bedragen, gebaseerd op de bewezenverklaarde periode van 27 maanden waarin veroordeelde een vergoeding van €4.000 per maand ontving voor bewaking en beheer van de kwekerij, zoals ook in het vonnis van 15 november 2022 was vastgesteld.

De rechtbank volgde de verdediging en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €108.000,-. Veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de staat te betalen. De vordering van de officier van justitie voor het meerdere werd afgewezen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1.080 dagen.

De beslissing werd genomen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, onder voorzitterschap van mr. M.A.A. van Capelle, met mr. G. Eelsing en mr. L.W. Janssen als rechters.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €108.000 en legt veroordeelde de verplichting tot betaling aan de staat op.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Assen
parketnummer 18.159143.21
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 1 augustus 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Hierna: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 27 september 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 4.997,485,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.159143.21 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft ter terechtzitting van 25 oktober 2022 bepaald dat voorafgaand aan de behandeling van de ontnemingsvordering ter terechtzitting schriftelijke rondes zullen plaatsvinden. De raadsman heeft daarop d.d. 5 januari 2023 een conclusie van antwoord genomen. De officier van justitie heeft vervolgens d.d. 10 februari 2023 een conclusie van repliek ingediend.
De mondelinge behandeling van de ontnemingsvordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 20 juni 2023. Daarbij waren aanwezig mr. D. Roggen, officier van justitie en de gemachtigd raadsman van veroordeelde, mr. A.A. Boersma, advocaat te Amsterdam.

Standpunten

De officier van justitie
De officier van justitie heeft haar conclusie van repliek nader toegelicht en zich op het standpunt gesteld dat het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel
€ 1.654.750,- bedraagt en dat de ontnemingsvordering tot dit bedrag dient te worden toegewezen.
Zij heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde op 15 november 2022 door de rechtbank als medepleger van de aangetroffen hennepkwekerij is veroordeeld. De bewezenverklaarde periode bedroeg 27 maanden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, uitgaande van deze periode, en de inbeslagname van de laatste oogst, dat er 10 oogstopbrengsten zijn geweest.
Zij acht de stelling van veroordeelde dat hij slechts € 4.000 per maand, gedurende die 27 maanden, heeft verdiend voor bewaking en het beheer van het terrein onaannemelijk. Hij wordt namelijk op basis van het dossier in verband gebracht met het regelen van mensen voor de kwekerij en het aanschaffen van een aggregaat. Nu een andere aannemelijke verklaring van veroordeelde over het door hem verdiende geld ontbreekt, is het Openbaar Ministerie van mening dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel in de bewezenverklaarde periode pondspondsgewijs aan de​ veroordeelde moet worden toegerekend.
Berekeningswijze Openbaar Ministerie
De totale opbrengst van de kwekerij tijdens de bewezenverklaarde periode bedraagt (10 oogsten x 128 kilo) = 1.280 kilo. Voor de opbrengst wordt in de rapportage uitgegaan van de opbrengst per kilo zoals verwoord in het BOOM-rapport, te weten € 4.070,- euro per kilo, nu tot op heden niet duidelijk is geworden wat de opbrengst daadwerkelijk is geweest. De totale opbrengst bedraagt: 1.280 x 4.070 = € 5.209.600,
kosten
Voor de berekening van de kosten wordt uitgegaan van de normbedragen uit het BOOM-rapport.
Voor de stekken betekent dit een kostprijs van €3,81 per stek. Uitgaande van 1500 stekken per
oogst: 10 x 1.500 x 3,81 = € 57.150, -
Voor wat betreft de variabele kosten wordt uitgegaan van een kostenpost van € 3,88 per plant per oogst: 10 x 1.500 x 3,88 € 58.200,-
Knipkosten planten, 2 euro per plant, dus (1.500 x 2 x 10) = € 30.000,-
Kosten opbouw kwekerij, volgens opgemaakt deskundigenrapport, € 100.000,-
De totale kosten bedragen: € 245.350,-
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt:
€ 5.209.600,- minus € 245.350,-
= €4.964.250,-
Uitgaande van een ponds-ponds gewijze verdeling over drie daders, betekent dit dat de vordering ten aanzien van veroordeelde voor een bedrag van :
€ 1.654.750,-kan worden toegewezen.
De verdediging
De raadsman heeft zijn conclusie van antwoord nader toegelicht en zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel nooit meer kan bedragen dan € 108.000,-.
Hij heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde bij vonnis d.d. 15 november 2022 is veroordeeld voor onder andere feit 2 - het medeplegen van de exploitatie van een hennepkwekerij - voor de periode 1 maart 2019 t/m 17 juni 2021 (zijnde 27 maanden). Blijkens de inhoud van het ontnemingsrapport is uit dit feit het wederrechtelijk voordeel verkregen. Relevant is dat de rechtbank expliciet heeft overwogen dat veroordeeldes taak was - om tegen betaling - naast de bewoning van het pand, de kwekerij te bewaken en ongeregeldheden te melden aan anderen. De verklaring van veroordeelde, waaruit onder meer volgt dat hij voor zijn werkzaamheden per maand een vergoeding (van
€ 4.000,-) kreeg, is voor het bewijs gebezigd. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, gebonden is aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
de inhoud van het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 15 november 2022,inhoudende een bewezenverklaring en bewijsmotivering onder parketnummer 18.159143.21;
de stukken behorend bij het onderliggende strafdossier.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij voormeld vonnis - onder meer - veroordeeld ter zake van, het in de periode van 1 maart 2019 tot en met 17 juni 2021, medeplegen van opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, de verklaring van veroordeelde. Veroordeelde heeft verklaard dat hij € 4.000,- per maand ontving om in het pand te wonen en voor de bewaking van de hennepkwekerij en het terrein. De rechtbank is op grond van de (overige) bewijsmiddelen niet gebleken of heeft voldoende aanwijzingen verkregen dat veroordeelde daarnaast meer wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
Dit levert de volgende berekening op:
Gedurende 27 maanden (zijnde de bewezenverklaarde periode van 1 maart 2019 t/m 17 juni 2021) ontvangst van € 4.000,- per maand voor bovengenoemde werkzaamheden ten behoeve van de kwekerij. Deze berekening levert een wederrechtelijk verkregen voordeel op van € 108.000,-.
De rechtbank stelt derhalve de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 108.000,-.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 108.000,00.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 108.000,00 (zegge: honderdachtduizend euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvoedering ten hoogste kan worden gevorderd op 1.080 dagen.
Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af. Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 augustus 2023.
Zijnde mr. Janssen buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.