ECLI:NL:RBNNE:2023:3585
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Berekeningswijze arbeidskorting bij bereiken AOW-gerechtigde leeftijd in 2020
Eiser, geboren in 1954, bereikte op 2 juni 2020 de AOW-gerechtigde leeftijd. Voor het jaar 2020 stelde de inspecteur een aanslag IB/PVV vast waarbij een arbeidskorting van € 2.648 werd toegepast. Eiser betwistte dit en stelde recht te hebben op een hogere arbeidskorting van € 3.491, omdat volgens hem het premiedeel AOW niet tijdsevenredig verminderd had mogen worden.
De rechtbank nam de feiten aan zoals overeengekomen: het arbeidsinkomen bedroeg € 26.263 en eiser ontving naast loon ook een AOW- en pensioenuitkering. De inspecteur had de arbeidskorting berekend door het premiepercentage AOW te verminderen met het gedeelte van het jaar dat eiser niet premieplichtig was, namelijk vanaf 1 juni 2020. Dit leidde tot een correct berekende arbeidskorting van € 2.648.
De rechtbank oordeelde dat de wet- en regelgeving deze tijdsevenredige vermindering voorschrijven en dat de door eiser voorgestane berekeningswijze niet uit de wet volgt en dus niet gevolgd kan worden. De rechtbank benadrukte dat zij gebonden is aan de wet en niet kan afwijken op grond van redelijkheid of billijkheid.
Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag van de inspecteur bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de aanslag met een arbeidskorting van € 2.648.