Art. 4:204 lid 1 sub a BWArt. 4:226 lid 1 BWArt. 4:226 lid 4 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid Rijksvastgoedbedrijf bij verzoek benoeming vereffenaar nalatenschap
Het Rijksvastgoedbedrijf verzocht de rechtbank om op grond van artikel 4:204 lid 1 sub a BWPro een vereffenaar aan te wijzen voor de nalatenschap van een overledene. De nalatenschap was niet beneficiair aanvaard en werd niet beheerd door een executeur. Van de acht bekende erfgenamen hadden zeven de nalatenschap onbeheerd gelaten en één erfgenaam had deze verworpen.
Het Rijksvastgoedbedrijf stelde zich op het standpunt dat zij als belanghebbende kon optreden op grond van artikel 4:226 lid 1 BWPro, omdat het overgebleven saldo van de nalatenschap na twintig jaar aan de Staat zou kunnen vervallen. De rechtbank oordeelde echter dat dit enkele feit onvoldoende is om het Rijksvastgoedbedrijf als belanghebbende aan te merken in deze procedure.
De rechtbank benadrukte dat er nog zeven erfgenamen zijn die hun keuze omtrent de nalatenschap nog niet hebben gemaakt en dat het niet is uitgesloten dat zij de nalatenschap alsnog zullen aanvaarden. Het onbeheerd laten van de nalatenschap door de erfgenamen leidt niet tot ontvankelijkheid van het verzoek van het Rijksvastgoedbedrijf.
Daarom werd het verzoek van het Rijksvastgoedbedrijf niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking werd gegeven door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. M. Sanna op 11 september 2023.
Uitkomst: Het verzoek van het Rijksvastgoedbedrijf tot benoeming van een vereffenaar is niet-ontvankelijk verklaard.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling privaatrecht
Locatie Groningen
zaaknummer / rekestnummer: C/18/221974 / HA RK 23-17
Beschikking van 11 september 2023
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN, ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Rijksvastgoedbedrijf,
gevestigd te Den Haag,
verzoekster,
advocaat mr. S.J. van Baasbank te 's-Gravenhage
met als belanghebbenden
1.[belanghebbende 1],
wonende te [woonplaats 1],
2. [belanghebbende 2],
wonende te [woonplaats 2],
3. [belanghebbende 3],
wonende te [woonplaats 1],
4. [belanghebbende 4],
wonende te [woonplaats 1],
5. [belanghebbende 5],
wonende te [woonplaats 1],
6. [belanghebbende 6],
wonende te [woonplaats 3],
7. [belanghebbende 7],
wonende te [woonplaats 4],
belanghebbenden,
niet verschenen.
inzake de nalatenschap van:
[erflater],
geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats],
laatstelijk wonende te [woonplaats 1],
overleden bevonden op 26 januari 2022 te Groningen,
hierna te noemen: erflater.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift;
de mondelinge behandeling van 28 augustus 2023 waar namens het Rijksvastgoedbedrijf is verschenen [gemachtigde], bijgestaan door mr. S.J. van Baasbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is aangevoerd.
1.2.
Beschikking is bepaald op heden.
2.Het verzoek
2.1.
Het Rijksvastgoedbedrijf verzoekt de rechtbank om in de nalatenschap van erflater op grond van artikel 4:204 lid 1 sub a vanPro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een vereffenaar aan te wijzen.
3.De beoordeling
3.1.
Het Rijksvastgoedbedrijf baseert haar verzoek op artikel 4:204 lid 1 sub a BWPro. Op grond van dit artikel kan de rechtbank - indien een nalatenschap niet onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard - een vereffenaar benoemen op verzoek van een belanghebbende of van het openbaar ministerie, wanneer er geen erfgenamen zijn, wanneer het niet bekend is of er erfgenamen zijn, of wanneer de nalatenschap niet door een executeur wordt beheerd en de erfgenamen die bekend zijn haar geheel of ten dele onbeheerd laten.
3.2.
Het Rijksvastgoedbedrijf stelt ter onderbouwing van haar verzoek dat de nalatenschap van erflater niet beneficiair is aanvaard en niet wordt beheerd door een executeur. Zeven van de acht bekende erfgenamen (belanghebbenden) laten de nalatenschap onbeheerd en één van de erfgenamen ([belanghebbende 6]) heeft de nalatenschap verworpen.
Het Rijksvastgoedbedrijf stelt zich op het standpunt dat zij belanghebbende is op grond van artikel 4:226 lid 1 BWPro. Dit artikel bepaalt dat wanneer de vereffening is voltooid en met een overschot is geëindigd, de vereffenaar de overgebleven goederen afgeeft aan de erfgenamen dan wel aan de Staat in het geval er geen erfgenamen zijn, niet bekend is of er erfgenamen zijn of wanneer de erfgenamen niet bereid zijn de goederen in ontvangst te nemen. Krachtens artikel 4:226 lid 4 BWPro vervallen de goederen of hetgeen daarvoor in de plaats is gekomen binnen twintig jaren nadat de nalatenschap is opengevallen en door niemand is opgeëist aan de Staat.
3.3.
De rechtbank kan het Rijksvastgoedbedrijf niet volgen in haar stelling dat zij op grond van art. 4:226 BWPro (thans al) als belanghebbende kan worden aangemerkt in een procedure tot benoeming van een vereffenaar. Het enkele feit dat het overgebleven saldo van de nalatenschap na verloop van twintig jaar mogelijk aan de Staat vervalt kan het verzoek niet dragen. Dit geldt temeer nu vaststaat dat erflaatster zeven erfgenamen heeft achtergelaten die nog geen keuze hebben gemaakt. Het valt niet uit te sluiten dat deze erfgenamen de nalatenschap alsnog (beneficiair) zullen aanvaarden. Dat de erfgenamen de nalatenschap thans onbeheerd laten en dat deze (nog) niet wordt vereffend kan er niet toe leiden dat het Rijksvastgoedbedrijf toch als belanghebbende bij het verzoek wordt aangemerkt.
3.4.
De rechtbank zal het Rijksvastgoedbedrijf daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
4.De beslissing
De rechtbank
4.1.
verklaart het Rijksvastgoedbedrijf niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken door mr. M. Sanna op 11 september 2023.