Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder inzake een teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 augustus 2019 tot en met 31 oktober 2019. Verweerder had het verzoek tot teruggaaf aanvankelijk niet-ontvankelijk verklaard, maar vervolgens alsnog een bedrag van €4.138 toegekend. Daarnaast had verweerder een forfaitaire proceskostenvergoeding van €673 toegekend voor de bezwaarfase.
Eiseres betwistte dat verweerder op het verzoek om proceskostenvergoeding had beslist en vorderde een integrale vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten voor zowel bezwaar als beroep. De rechtbank oordeelde dat verweerder in de brief van 1 februari 2022 en de uitspraak op bezwaar samen een beslissing vormen over de proceskostenvergoeding en dat de forfaitaire vergoeding reeds was betaald.
De rechtbank stelde vast dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen. Verweerder had niet tegen beter weten in gehandeld en de bezwaarprocedure was zorgvuldig doorlopen. De lopende procedure bij de Hoge Raad betrof een ander tijdvak en onderwerp. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en zij kreeg geen vergoeding van proceskosten en griffierecht.