Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2023 in de zaak tussen
[vergunninghouder]uit [plaats] (vergunninghouder), (gemachtigde: C. Zeldenrust).
Rechtbank Noord-Nederland
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân heeft verleend voor de bouw van een camperwerkplaats met vier logiesfuncties aan een locatie in de gemeente. Zij wonen tegenover het bouwplan en vrezen aantasting van hun woon- en leefomgeving.
De rechtbank heeft beoordeeld of het college de belangen van eisers had moeten meewegen bij het besluit. De toetsing van de aanvraag voor de omgevingsvergunning vond plaats aan de hand van artikel 2.10 van de Wabo, dat een limitatief-imperatief stelsel hanteert. Dit betekent dat het college alleen kan weigeren als een weigeringsgrond zich voordoet, zoals strijd met het bestemmingsplan.
Partijen waren het erover eens dat het bouwplan binnen het geldende bestemmingsplan past, dat op het moment van de vergunningverlening en de bezwaarbeslissing in werking was. Eisers hadden het bestemmingsplan kunnen schorsen via een voorlopige voorziening bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar hebben dit niet gedaan. De rechtbank oordeelt dat het college geen ruimte had voor een eigen belangenafweging en de omgevingsvergunning terecht heeft verleend.
De beroepen worden ongegrond verklaard, waardoor de vergunning in stand blijft en eisers geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangen.
Uitkomst: De beroepen tegen de omgevingsvergunning worden ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.