ECLI:NL:RBNNE:2023:4212

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
13 oktober 2023
Zaaknummer
18-212371-20 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 10 oktober 2023 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie vorderde dat veroordeelde een bedrag van €322.105,60 aan wederrechtelijk verkregen voordeel zou betalen. Dit bedrag was gebaseerd op 20 oogsten hennep en kosten van €77.894,40. De verdediging stelde dat het aantal oogsten moest worden verminderd tot 15 vanwege mislukte oogsten en dat de opbrengst per kilogram lager was.

De rechtbank baseerde haar oordeel op het vonnis van de meervoudige strafkamer en een rapport van 17 augustus 2020. Zij nam 15 geslaagde oogsten als uitgangspunt en een opbrengst van €3.800 per kilogram hennep, wat niet door het OM werd betwist. De kosten werden naar rato verlaagd tot €58.420,80. De totale opbrengst werd berekend op €386.118,- met kosten van €58.420,80, wat resulteerde in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van €327.697,20.

De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde samen met zijn broer dit voordeel had genoten en dat het bedrag gedeeld moest worden. Hierdoor kwam de betalingsverplichting voor de veroordeelde op €163.848,60. Hoewel de redelijke termijn voor de beslissing met meer dan een jaar was overschreden, vond de rechtbank dat dit reeds voldoende was gecompenseerd in het strafvonnis. De rechtbank legde ook een maximale gijzelingstermijn van 664 dagen vast.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €163.848,60 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.212371.20

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 10 oktober 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: de veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 23 augustus 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 322.105,60 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/212371-20 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 26 september 2023 waarbij de veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. H.C.L. Crozier, advocaat te Sneek.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op € 322.105,60. Hierbij is de officier van justitie uitgegaan van 20 eerdere oogsten en kosten ter hoogte van € 77.894,40.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de ontnemingsvordering dient te worden gematigd tot
€ 32.000,00, gelet op de door de veroordeelde opgestelde berekening. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de ontnemingsvordering is berekend op basis van 20 oogsten, maar dat dit onjuist is, omdat er ook veel oogsten zijn mislukt.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 10 oktober 2023 in deonderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen;
Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 17 augustus 2020, pagina 10 enverder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020173738 d.d. 14 september 2020.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 10 oktober 2023 in de zaak met parketnummer
18/212371-20 veroordeeld ter zake opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan, worden ontnomen. Buiten redelijke twijfel moet vaststaan dat de betrokkene die andere strafbare feiten heeft gepleegd.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank houdt er rekening mee dat er een aantal oogsten zijn mislukt, zoals de veroordeelde heeft verklaard, en gaat bij de berekening van het voordeel uit van een totaal van 15 geslaagde oogsten. De officier van justitie is bij zijn berekening uitgegaan van een opbrengst per kilogram van € 4070,-. De veroordeelde heeft verklaard dat de opbrengst ongeveer € 3,80 per gram ofwel € 3800,per kilogram bedroeg. Nu dit laatste bedrag de rechtbank niet als onaannemelijk voorkomt en de officier van justitie dit bedrag niet heeft betwist, neemt de rechtbank een opbrengst van € 3800,- per kilogram als uitgangspunt. Met betrekking tot de kosten heeft de officier van justitie berekend dat deze voor 20 oogsten totaal €. 77.894,40 bedragen. De raadsman heeft ten aanzien van deze kosten geen verweer gevoerd. Nu de rechtbank uit gaat van 15 oogsten, betekent dit dat de kosten € 58.420,80 bedragen.
Dit levert de volgende berekening op:
Inkomsten
Kweekruimte 1: 146 planten x 27,2 gram levert op 3,971 kilogram hennep
15 oogsten x 3,971 x € 3.800,- = € 226.347,-
Kweekruimte 2: 98 planten x 28,6 gram levert op 2,803 kilogram hennep
15 oogsten x 2,803 x € 3.800,- = € 159.771,-​
---------------------Totaal € 386.118,-
Kosten
De totale kosten bedragen € 58.420,80
Berekening totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Totale opbrengsten € 386.118,-
Totale kosten € 58.420,80
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 327.697,20​
De rechtbank is van oordeel dat verdachte samen met zijn broer, medeverdachte [medeverdachte] wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De rechtbank is van oordeel dat het totale wederrechtelijk verkregen voordeel daarom gedeeld moet worden door twee.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 163.848,60​ voordeel heeft genoten en zal de betalingsverplichting eveneens voor dat bedrag aan hem opleggen.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Die termijn heeft in dit geval een aanvang genomen vanaf het moment dat de officier van justitie conservatoir beslag heeft laten leggen op vermogensbestanddelen van veroordeelde, te weten op13 juli 2020.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Het eindvonnis is op 10 oktober 2023 gewezen. Hieruit leidt de rechtbank af dat in dit geval sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan één jaar.
De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn weliswaar fors is overschreden, maar dat de redelijke termijnoverschrijding bij de oplegging van de straf in het vonnis al voldoende is gecompenseerd, zodat kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 163.848,60
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
€ 163.848,60 (zegge: honderddrieënzestigduizend achthonderdachtenveertig euro en zestig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 664 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. S.T. Kooistra, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. T.M.L. Wolters, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 oktober 2023.