Verzoekers, eigenaren van het naastgelegen perceel, maakten bezwaar tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren aan vergunninghouders had verleend voor het vervangen en vergroten van een bestaande garage. Zij stelden dat het college ten onrechte artikel 4, onderdeel 1, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) had toegepast, omdat de garage niet als bijbehorend bouwwerk kon worden aangemerkt vanwege het feit dat het op een ander kadastraal perceel stond en geen functionele binding had met het hoofdgebouw.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht de garage als bijbehorend bouwwerk had aangemerkt. De percelen zijn eigendom van vergunninghouders en vormen samen een aaneengesloten stuk grond. De garage wordt functioneel gebruikt als stalling en opslag en is via het hoofdgebouw bereikbaar. De ligging aan de straatkant doet hier niet aan af. Daarnaast was het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar en niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening, ondanks dat de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken de maximale oppervlakte overschrijdt, omdat het ging om een relatief geringe uitbreiding van 10 m².
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en de uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding.