De rechtbank Noord-Nederland behandelde een geschil tussen een eigenaar van een Chevrolet Impala en Eastend Classics B.V. over de restauratie van de oldtimer. De eigenaar stelde dat Eastend hem onjuist had geïnformeerd over de restauratiekosten en de waarde van de auto na restauratie, en vorderde vernietiging van de overeenkomst op grond van bedrog of subsidiair dwaling.
De rechtbank oordeelde dat bedrog niet bewezen was omdat de eigenaar geen deugdelijke feiten had gesteld waaruit opzettelijke misleiding bleek. Wel achtte de rechtbank op grond van rechterlijk bewijsvermoeden aannemelijk dat Eastend voorafgaand aan de overeenkomst had meegedeeld dat de restauratiekosten ongeveer € 85.000 zouden bedragen en de waarde van de oldtimer na restauratie € 75.000 zou zijn. Eastend kreeg de gelegenheid tegenbewijs te leveren, onder meer door getuigen te laten horen.
De rechtbank kwalificeerde de overeenkomst als aanneming van werk en wees erop dat de eigenaar de facturen tot een bedrag van ruim € 85.000 had betaald, maar dat de uiteindelijke taxatie van de oldtimer aanzienlijk lager uitviel dan de voorafgaande waardebepaling. De zaak werd verwezen naar een rolzitting voor verdere bewijslevering en eventuele getuigenverhoren, waarna verdere beslissing volgt.