Art. 39 WWETGCArtikel 19 lid 1 sub g Verordening 2018/1805
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep ongegrond tegen tenuitvoerlegging Belgische beslissing tot confiscatie
De veroordeelde stelde beroep in tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een Belgische beslissing tot confiscatie van een bedrag van €60.000, waarvan €44.615 in Nederland geïnd zou worden. Hij voerde aan dat in beslag genomen goederen, waaronder een personenauto en een bestelbus, verrekend moesten worden met het te betalen bedrag.
De rechtbank toetste het beroep op grond van de EU-Verordening 2018/1805 en artikel 39 vanPro de WWETGC. Uit het confiscatiecertificaat bleek dat de veroordeelde niet persoonlijk op de terechtzitting was verschenen, maar wel vertegenwoordigd werd door twee advocaten, waardoor voldaan was aan de procedurele vereisten.
De Belgische beslissing was onherroepelijk geworden en de rechtbank mocht niet inhoudelijk treden in de buitenlandse beslissing of de tenuitvoerlegging daarvan. Het verweer van de veroordeelde dat de waarde van in beslag genomen goederen verrekend moest worden, werd verworpen.
De rechtbank constateerde dat de personenauto inmiddels vervreemd is omdat de veroordeelde deze niet had opgehaald, en dat de Belgische autoriteiten nog geen besluit hadden genomen over verrekening van de opbrengst met de confiscatie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van de Belgische confiscatiebeslissing wordt ongegrond verklaard.
beslissing van de meervoudige raadkamer van 28 juni 2023 op het beroep ex artikel 39 vanPro de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: de veroordeelde.
Procesverloop
Op 7 maart 2023 heeft de veroordeelde bij akte beroep ingesteld tegen de op 9 december 2022 genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 14 oktober 2020 door Rechtbank van eerste aanleg Limburg – Afdeling Tongeren, in België opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van € 60.000,--, waarbij aan Nederland is verzocht
€ 44.615,-- te innen.
De veroordeelde en de officier van justitie hebben hun standpunten uiteengezet en diverse stukken ingebracht. De mondelinge behandeling heeft op 14 juni 2023 plaatsgevonden. Veroordeelde is hier niet verschenen en het openbaar ministerie werd bij de behandeling vertegenwoordigd door mr. H. Mous.
Motivering
1. Het beroep is tijdig ingesteld op grond van artikel 39 vanPro de Wet wederzijdse erkenning entenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.
2. De toetsing van het beroep vindt plaats op grond van de op 19 december 2020 in werking getredenverordening (EU) 2018/1805 van het Europees parlement en de Raad van 14 november 2018 (hierna ook te noemen: Verordening 2018/1805) en op grond van het op 19 december 2020 in werking getreden artikel 39 vanPro de WWETGC.
3. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 39 vanPro de WWETGCgelden:
I. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;
II. de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;
III. de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.
4. De veroordeelde heeft aangevoerd dat zijn personenauto van het merk BMW 525D, kenteken[kenteken] , inclusief de daarin aanwezig goederen en een bestelbus van het merk Renault Kangoo, met een totale waarde van € 36.587,50, door de Belgische autoriteiten in beslag zijn genomen en dat hij tot op heden niets meer van deze goederen heeft vernomen.
5. De rechtbank vat dit verweer op als een verweer tegen de tenuitvoerlegging van hetconfiscatiebevel, omdat de waarde van voornoemde goederen zou moeten worden verrekend met het te betalen bedrag.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1.
In artikel 19 lid 1 sub g vanPro de Verordening 2018/1805 is opgenomen dat de uitvoerende autoriteit slechts mag besluiten een confiscatiebevel niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen indien de persoon tegen wie het confiscatiebevel is uitgevaardigd, volgens het confiscatiecertificaat niet persoonlijk is verschenen op de terechtzitting die heeft geleid tot een confiscatiebevel dat verband houdt met een definitieve veroordeling, tenzij wanneer op het confiscatiecertificaat is vermeld dat de persoon, overeenkomstig nader in het recht van de uitvaardigende staat bepaalde procedure voorschriften, kortgezegd i) tijdig is gedagvaard, ii) op de hoogte was van de geplande zitting of iii) nadat het confiscatiebevel aan hem was betekend geen hoger beroep hier tegen heeft ingesteld.
6.2.
Uit het confiscatiecertificaat blijkt dat de veroordeelde niet op de ter terechtzitting is verschenen, maar dat hij op de hoogte was van de terechtzitting en is vertegenwoordigd door twee door hem gekozen advocaten die zijn verdediging hebben gevoerd. Hiermee voldoet de procedure aan de uitzondering ii) van lid g van artikel 19 vanPro de Verordening 2018/1805. Nu de veroordeelde door twee door hem gekozen advocaten is vertegenwoordigd, had hij ook kunnen weten dat hij het recht had om in hoger beroep te gaan.
6.3.
Vastgesteld kan worden dat de beslissing van de Rechtbank van eerste aanleg Limburg – Afdeling Tongeren, in België, op 14 november 2020 onherroepelijk is geworden. Hiermee is de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast komen te staan.
6.4.
De officier van justitie en de rechtbank mogen bij de beoordeling niet treden in deze in België genomen beslissing. Dit geldt ook ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de beslissing en de inbeslaggenomen voorwerpen.
7. Nu het verweer van veroordeelde ziet op de tenuitvoerlegging van het confiscatiebevel doorBelgië, verwerpt de rechtbank het verweer. Ook acht de rechtbank ambtshalve geen weigeringsgronden aanwezig. De rechtbank zal daarom het beroep ongegrond verklaren.
Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op.
Ter zitting heeft de officier van justitie meegedeeld dat hij nader onderzoek heeft laten doen naar de inbeslaggenomen goederen in België. Hieruit is de volgende informatie verkregen.
De personenauto van het merk BMW 525D, kenteken [kenteken] , kon aan de veroordeeldeworden teruggegeven. Hij is daartoe twee keer aangeschreven, maar de personenauto is niet opgehaald. Daarom heeft het openbaar ministerie in België besloten de personenauto te vervreemden. De bevoegde autoriteit in België heeft nog geen bericht gegeven of de vervreemding en of de verkoopopbrengst verrekend moet worden met de confiscatie. Vooralsnog is er daarom nog geen sprake van aanpassing van het te innen bedrag. Indien dit wel het geval is wordt het Centraal Justitieel Incassobureau hierover geïnformeerd.
De Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat er geen goederen in de personenauto van hetmerk BMW 525D, kenteken [kenteken] , zijn aangetroffen.
De GSM Samsung van de veroordeelde is bij beslissing van op 14 oktober 2020 door Rechtbankvan eerste aanleg Limburg – Afdeling Tongeren, in België, verbeurd verklaard. Het voertuig Peugeot Partner, kenteken [kenteken] , is eveneens bij voornoemde beslissing, verbeurd verklaard. Dit is vermoedelijk de bestelbus van het merk Renault Kangoo die de veroordeelde in zijn verweer bedoelt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. K. Post en mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2023.
Mr. K. Post is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.