ECLI:NL:RBNNE:2023:5139

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
18-269744-22 ontn.
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in zaak drugskoerier

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 12 december 2023 uitspraak gedaan in de zaak tegen een veroordeelde die zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet door het verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne.

De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €86.546,46 over een periode van 182 dagen, terwijl de verdediging stelde dat de winst per dag €150 bedroeg over een kortere periode. De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde gedurende 46 dagen voordeel heeft genoten, exclusief de dag van aanhouding.

Op basis van de verklaring van de veroordeelde, die de rechtbank geloofwaardig achtte, werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €6.900. Na aftrek van de waarde van in beslag genomen goederen, waaronder een jas en contant geld, werd de betalingsverplichting vastgesteld op €4.985. De rechtbank bepaalde tevens een maximale gijzelingsduur van 99 dagen.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €4.985 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-269744-22
Beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 12 december 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , wonende [adres] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 20 januari 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 128.861,46 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18-269744-22 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 28 november 2023, waarbij veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Jager, advocaat te Utrecht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. D.P. Menting, heeft gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het voordeel dat door de officier van justitie wordt geschat op 86.546,46. Hierbij is de officier van justitie uitgegaan van de gehele ten laste gelegde periode minus de dag dat veroordeelde is aangehouden (17 mei 2022 tot 15 november 2022, omgerekend 182 dagen). Voor wat betreft de berekening van de totale winst aan heroïne heeft de officier van justitie het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 16 november 2022 (verder: het Rapport) als uitgangspunt genomen.
Anders dan in het Rapport staat beschreven stelt de officier van justitie zich evenals de raadsvrouw op het standpunt dat de winst van een bolletje cocaïne moet worden vastgesteld op een lager bedrag.
Op grond van artikel 36e, zevende lid Sr vordert de officier van justitie dat de betalingsverplichting pondspondsgewijs wordt opgelegd, te weten 43.273,23 waarbij de waarde van de in beslag genomen jas van het merk Moose Knuckles (door de officier van justitie geschat op 1.000,00) en het geldbedrag van 915,00 in mindering worden gebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadvrouw heeft primair verzocht aansluiting te zoeken bij hetgeen veroordeelde ter terechtzitting heeft verklaard over de pleegperiode en dat aantal dagen te vermenigvuldigen met het bedrag van 150,00. Dit bedrag is immers het vaste bedrag dat veroordeelde per dag betaald kreeg voor zijn drugskoerierverdiensten.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de winstmarge van een bolletje cocaïne op een lager bedrag moet worden vastgesteld.
Tot slot heeft de raadsvrouw ten aanzien van de betalingsverplichting bepleit dat het in beslag genomen geldbedrag van 915,00, de Moose Knuckles jas van 1.000,00, de Louboutin tas en de privé telefoon hierop in mindering moeten worden gebracht.

Bewijsmiddelen

Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:
- het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 12 december 2023 in de
onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde gewezen, inhoudende een bewezenverklaring dat de veroordeelde in de periode van 30 september 2022 tot en met 15 november 2022 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, telkens opzettelijk cocaïne en heroïne heeft verkocht en
afgeleverd;
- de verklaring van veroordeelde afgelegd ter terechtzitting van 28 november 2023, onder meer
inhoudende dat hij als drugskoerier optrad voor een vaste vergoeding van 150,00 per dag.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 12 december 2023 in de zaak met parketnummer 18- 269744-22 veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit.
De rechtbank neemt de verklaring van veroordeelde als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door het strafbare feit is geschat. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van veroordeelde niet zonder meer onaannemelijk is. Veroordeelde heeft openheid van zaken gegeven en de rechtbank acht diens verklaring op het punt van het verkregen voordeel geloofwaardig.

Periode

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat veroordeelde zich 46 dagen schuldig heeft gemaakt aan het verkopen en afleveren van heroïne en cocaïne. De rechtbank heeft daarbij de dag van de aanhouding niet meegerekend. Gelet op het tijdstip van aanhouding heeft veroordeelde die dag immers geen wederrechtelijk verkregen voordeel genoten.

Opbrengst

De totale opbrengst bedraagt daarmee 150,00 x 46 dagen = 6.900,00.

Kosten

Nu uit de verklaring van veroordeelde niet is gebleken dat hij enige kosten heeft moeten maken ten aanzien van de harddrugshandel stelt de rechtbank de kosten vast op nihil.

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

Opbrengsten minus kosten: 6.900,00.
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde
6.900,00voordeel heeft genoten.

Betalingsverplichting

Op grond van het bepaalde in artikel 36e, tiende lid, Sr, zal de rechtbank veroordeelde een lagere betalingsverplichting opleggen dan het berekende wederrechtelijk genoten voordeel in verband met de onder veroordeelde in beslag genomen goederen.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verbeurdverklaarde goederen, te weten het geldbedrag van 915,00 en de waarde van de Moose Knuckles jas, die wordt geschat op 1.000,00, in mindering moeten worden gebracht op de betalingsverplichting.
De rechtbank zal geen rekening houden met de inbeslaggenomen Louboutin tas en de privé telefoon, omdat hier geen beslagbeslissing op is genomen.
Dit levert de volgende berekening op: Wederrechtelijk verkregen voordeel: 6.900,00 Geldbedrag ter waarde van: 915,00
Moose Knuckles jas ter waarde van: 1.000,00 -/-Totaal: 4.985,00

De rechtbank komt aldus tot een betalingsverplichting van 4.985,00.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
6.900,00.
Legt
[veroordeelde]voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
4.985,00(zegge: vierduizend negenhonderdvijfentachtig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 99 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.E. Joha en mr. H. de Ruijter, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2023.