De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 18 december 2023 de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor medeplegen van oplichting en mensenhandel. De officier van justitie vorderde een bedrag van 183.965,18 euro, gebaseerd op een rapport van 30 december 2021.
De verdediging voerde aan dat bepaalde bedragen niet aan veroordeelde toegerekend konden worden, waaronder oplichting van een slachtoffer waarvoor veroordeelde niet was veroordeeld, opbrengsten uit sekswerk van een medeveroordeelde en contante inkomsten. De rechtbank achtte echter aannemelijk dat veroordeelde wel degelijk voordeel had genoten uit de uitbuiting van de medeveroordeelde en de oplichting van twee slachtoffers.
De rechtbank bracht enkele bedragen in mindering, waaronder 2.300 euro voor een niet-veroordeelde oplichting en 8.000 euro wegens onvoldoende bewijs van contante opbrengsten. De totale vastgestelde ontnemingsvordering bedroeg uiteindelijk 173.665,18 euro. De rechtbank wees een pondspondsgewijze toerekening af en legde de betalingsverplichting aan veroordeelde op, met een maximale gijzelingsduur van drie jaar.