De zaak betreft een kort geding tussen G.M.A. Holding B.V. als verhuurder en twee huurders over de ontruiming van een bij een boerderij behorende schuur. De huurovereenkomst werd mondeling gesloten in 2016 en betreft woonruimte en een schuur. Er ontstond onenigheid over het gebruik van de schuur, waarbij de huurders de toegang tot de schuur afsloten en stro deels verwijderden zonder toestemming.
GMA stelde dat de huurovereenkomst voor de schuur rechtsgeldig was opgezegd en dat de huurders wanprestatie en onbehoorlijk gebruik pleegden. De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst gesplitst kan worden in woonruimte en 230a-ruimte (niet-woonruimte), waarbij de schuur onder het 230a-regime valt. De opzegging van de huurovereenkomst voor de schuur per 31 januari 2023 was rechtsgeldig.
De kantonrechter stelde vast dat het onbehoorlijk gebruik en de overlast door de huurders een zeer grote kans geven dat de bodemrechter een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn zal afwijzen. Daarom werd de vordering tot ontruiming en verwijdering van containers toegewezen met een termijn van 14 dagen na betekening. De tegenvordering tot verwijdering van stro wegens brandgevaar werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De huurders werden veroordeeld in de proceskosten. De vordering tot schadevergoeding werd afgewezen omdat de huurovereenkomst voor de schuur al was geëindigd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.