Eiser ontvangt WW-uitkering en heeft inkomsten uit arbeid in november 2021 en februari 2022, die door zijn werkgever zijn opgegeven in de daaropvolgende maanden december 2021 en maart 2022. Het UWV heeft deze inkomsten toegerekend aan de maanden van opgave, waardoor de WW-uitkering werd herzien en teruggevorderd.
Eiser betoogt dat deze rigide toepassing leidt tot onevenredige financiële gevolgen en dat het loon aan de werkmaanden moet worden toegerekend. De rechtbank stelt vast dat het UWV volgens de hoofdregel van artikel 4:1, derde lid, AIB heeft gehandeld, maar onvoldoende heeft onderzocht of afwijking van deze regel in het belang van eiser noodzakelijk is.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep die stelt dat het UWV in bijzondere gevallen moet toetsen op onevenredigheid. Omdat het UWV dit niet heeft gedaan en onvoldoende heeft gemotiveerd, zijn de besluiten onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd.
De rechtbank geeft het UWV de gelegenheid binnen zes weken het gebrek te herstellen door nader onderzoek en motivering. Totdat dit is gebeurd, worden verdere beslissingen aangehouden. Partijen mogen geen nieuwe geschilpunten inbrengen en er is nog geen hoger beroep mogelijk tegen deze tussenuitspraak.