ECLI:NL:RBNNE:2023:603

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 februari 2023
Publicatiedatum
22 februari 2023
Zaaknummer
C/18/220881 / KG RK 23-60
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters wegens vermeende vooringenomenheid

Op 21 februari 2023 diende verzoeker een mondeling wrakingsverzoek in tegen de leden van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, omdat deze rechters een verzoek tot het horen van drie getuigen hadden afgewezen met een motivering die volgens verzoeker een vooringenomenheid over de schuldvraag impliceerde.

De wrakingskamer behandelde het verzoek dezelfde dag, waarbij zowel verzoeker als de rechters hun standpunten toelichtten. De rechters stelden dat hun beslissing een procedurele was en geen inhoudelijk oordeel over schuld inhield. De rechtbank overwoog dat een wrakingsverzoek alleen kan slagen bij concrete aanwijzingen van vooringenomenheid, wat hier ontbrak.

De rechtbank beoordeelde de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek en concludeerde dat deze niet anders kan worden opgevat dan een procedurele beslissing, waarbij ruimte blijft voor het horen van getuigen tijdens de inhoudelijke behandeling. Er waren geen uitzonderlijke omstandigheden die een schending van rechterlijke onpartijdigheid aannemelijk maakten.

Daarom wees de rechtbank het wrakingsverzoek af en bepaalde dat de strafzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij het indienen van het verzoek tot wraking. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen en de strafzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK GRONINGEN

Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/220881 / KG RK 23-60
Beslissing van 22 februari 2023
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. P.J. Hoogendam,
strekkende tot de wraking van
mrs H. Brouwer, W.S. Sikkema en L.M. Praamstra,
rechters in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechters.

1.De procedure

1.1.
Op 21 februari 2023 is namens verzoeker in de strafzaak met parketnummer [nummer] een mondeling verzoek tot wraking gedaan van de leden van de meervoudige strafkamer belast met de behandeling van deze strafzaak. Van het verhandelde ter zitting
van 21 februari 2023, inhoudende het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor, is proces-verbaal opgemaakt.
1.2.
De wrakingskamer heeft het verzoek op 21 februari 2023 behandeld. Verschenen zijn mr. Hoogendam en de rechters, die hun standpunten hebben toegelicht.
1.3.
De wrakingskamer heeft de datum van de uitspraak bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek en gelet op de toelichting bij de mondelinge behandeling door de wrakingskamer, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
De rechters hebben het verzoek van verzoeker om drie getuigen te (doen) horen afgewezen met zodanige motivering dat zij daarin al een eindoordeel hebben gegeven over de herkomst van het geld en dat het geld van verzoeker is. Daarmee zijn de rechters vooringenomen en niet onpartijdig.
2.2.
De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Daartoe hebben zij het volgende aangevoerd. Zij zijn niet vooringenomen geweest en hebben ook niet de schijn van vooringenomenheid gewekt. De weigering om een nader getuigengehoor te gelasten is een procedurele beslissing waarvoor niet kan worden gewraakt. Verder hebben de rechters zich niet uitgelaten over de schuldvraag van verzoeker. Bij de motivering van de afwijzing van het verzochte nader getuigengehoor is aangegeven dat er op dit moment geen reden bestaat tot toewijzing daarvan maar dat dat wellicht tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak nog anders zou kunnen worden.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
In de eerste plaats overweegt de rechtbank over het door verzoeker gestelde dat het proces-verbaal van de strafzitting geen juiste althans geen volledige weergave is van het aldaar verhandelde, het volgende. Het opgemaakte proces-verbaal is een zakelijke weergave van het verhandelde ter zitting en heeft betrekking op het ingediende wrakingsverzoek en de gronden daarvoor. Dat daarin niet alles staat vermeld dat op de zitting is verhandeld, betekent derhalve niet dat het proces-verbaal incorrect is. Bij de beoordeling van het onderhavige wrakingsverzoek zal de rechtbank uitgaan van het door de voorzitter en de griffier gewaarmerkte proces-verbaal.
3.3.
Het wrakingsverzoek is ingegeven door de (motivering van de) afwijzing van het door verzoeker verzochte nader getuigengehoor. Een dergelijke processuele beslissing waar een procesdeelnemer zich niet in kan vinden, is op zichzelf geen grond om een wrakingsverzoek toe te wijzen en te oordelen dat deze beslissing de onpartijdigheid van de rechters raakt. Ook de motivering van die beslissing wordt gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in beginsel niet op juistheid of begrijpelijkheid beoordeeld door de wrakingskamer, tenzij de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid.
3.4.
Uit het opgemaakte proces-verbaal, dat op dit punt ook niet is bestreden, blijkt dat de rechters de weigering van het verzochte getuigengehoor als volgt hebben gemotiveerd:
‘In 2021 is een regiezitting geweest waarop door de rechtbank op de verzoeken om getuigen te horen is beslist. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de verzoeken — gelet op vaste jurisprudentie — daarom worden beoordeeld in het licht van het noodzaakscriterium. In het licht van de verdenkingen en vaste jurisprudentie aangaande witwasverdenkingen mag van verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verlangd over de herkomst van het geld. De rechtbank stelt vast dat verdachte op dit moment nog geen verklaring heeft
afgelegd, hoewel hem daartoe de gelegenheid is geboden en door de raadsman is aangekondigd dat verdachte een verklaring zou gaan afleggen. Dit zou in de loop van het onderzoek ter terechtzitting anders kunnen worden, als verdachte zou verklaren. De gevoegde verklaring van medeverdachte [naam] is summier en is afgelegd ruim vierenhalfjaar na het ontstaan van de verdenkingen. Een onderbouwing ontbreekt. Er wordt gesteld dat het geld afkomstig is van de contante paardenhandel van de overleden man van medeverdachte [naam] , maar er is niet toegelicht om welke transacties het gaat, wie de koper is, wanneer de transacties hebben plaatsgevonden en hoe het geld bijvoorbeeld terecht is gekomen daar waar het is aangetroffen. Er zijn ook geen stukken ingebracht ter
onderbouwing. Op dit moment is de verklaring dus te dun om de getuigen toe te wijzen.
Bovendien valt — gelet op de motivering die wordt gegeven, die er in de kern op neerkomt
dat de getuigen kunnen bevestigen dat er met contant geld in paarden werd gehandeld — niet
in te zien dat de gevraagde getuigen de benodigde concrete informatie zouden kunnen
verstrekken. Daarbij weegt ook mee dat de verklaring van medeverdachte [naam]
summier is en slechts in algemene termen vermeldt dat het geld afkomstig is uit contante
paardenhandel. De rechtbank acht op dit moment het doen horen van de getuigen dus niet noodzakelijk en wijst de daartoe strekkende verzoeken af.’
3.5.
Gelet op de aangehaalde motivering van de (procedurele) beslissing van de rechters om geen nader getuigengehoor toe te staan, overweegt de rechtbank dat in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven niet kan worden geoordeeld dat die motivering niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Daarbij speelt een rol dat blijkens de motivering door de rechters is aangegeven dat “op dit moment” het nader doen horen van getuigen niet noodzakelijk is. Het gebruik van de zinsnede “op dit moment” kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan dat het mogelijk is dat bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak blijkt dat het nader doen horen van getuigen wel noodzakelijk is. Met die motivering hebben de rechters naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen (inhoudelijk) eindoordeel gegeven over de schuldvraag van verzoeker.
3.6.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.7. Het verzoek tot wraking wordt dan ook afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat de hoofdzaak (met parketnummer [nummer] ) wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond;
4.3.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de rechters en het Openbaar Ministerie.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. Th.A. Wiersma, L.T. de Jonge en A. Jongsma in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Scholing en op 22 februari 2023 in het openbaar uitgesproken.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
js (319)