Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2023:648

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2023
Publicatiedatum
24 februari 2023
Zaaknummer
21/96
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning in gemeente Westerwolde

Eiser is eigenaar van een 2-onder-1-kapwoning in de gemeente Westerwolde, waarvan de WOZ-waarde voor het jaar 2021 door verweerder is vastgesteld op €153.000 per waardepeildatum 1 januari 2020. Eiser maakte bezwaar tegen deze waardebepaling en stelde dat de waarde te hoog was, onder meer vanwege een ondoelmatig perceel en lagere referentiewoningen.

De rechtbank beoordeelde of verweerder de waarde niet te hoog had vastgesteld. Verweerder heeft aan zijn bewijslast voldaan door aan te tonen dat de waarde is gebaseerd op de economische waarde in het verkeer, conform artikel 17, tweede lid, Wet WOZ. De rechtbank oordeelde dat een relatief grote voortuin onvoldoende reden is om het perceel als ondoelmatig te bestempelen, mede omdat vergelijkbare referentiewoningen ook een grote voortuin hebben.

Verder wees de rechtbank het beroep af omdat de door eiser aangevoerde referentiewoningen geen lagere waarde onderbouwen. Eén referentiewoning werd niet door verweerder gebruikt vanwege slechte staat, en voor de ander ontbrak nadere motivering. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de termijn nog niet was verstreken.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde van €153.000 en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €153.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/96
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 24 februari 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: G. Gieben),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westerwolde, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 2 december 2021.
1.1.
Verweerder heeft voor het jaar 2021 de waarde van de onroerende zaak [adres] in [woonplaats] (de woning) op 1 januari 2020 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 153.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan eiser ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Westerwolde voor het jaar 2021 opgelegd (de aanslag).
1.2.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde van de woning gehandhaafd.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: C. van Abbe als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam taxateur] (taxateur).

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de woning. De woning is een 2-onder-1-kapwoning en gebouwd in 1970. Verder heeft de woning een inhoud van 393 m³, een aanbouw, een stenen garage, een overkapping en een tuinhuis. De perceeloppervlakte is 482 m².

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder de WOZ-waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2020 niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [1]
5. Verweerder moet, in het licht van wat eiser heeft aangevoerd, aannemelijk maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin geslaagd.
Hoe is de rechtbank tot dit oordeel gekomen?
6. Eiser voert aan dat de woning is gelegen op een ondoelmatig perceel, omdat de voortuin relatief groot is. Het hebben van een relatief grote voortuin is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om een perceel als ondoelmatig te kwalificeren. Verweerder heeft er verder op gewezen dat ook de referentiewoningen aan de [A-straat] 37 en 49 een relatief grote voortuin hebben, zodat met een eventuele ondoelmatigheid voldoende rekening is gehouden. De rechtbank ziet geen reden om aan de stelling van verweerder te twijfelen. De enkele stelling van eiser dat hij hierin geen inzage heeft, is onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert verder aan dat de referentiewoningen [A-straat] 37 en [B-straat] 1 een lagere waarde onderbouwen. De rechtbank ziet – zonder nadere motivering, die ontbreekt – niet in waarom [A-straat] 37 een lagere waarde zou onderbouwen. Wat betreft [B-straat] 1 geldt dat verweerder deze niet aan de onderbouwing ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat [B-straat] 1 in zeer slechte staat verkeerde en dus ook niet geschikt is als referentiewoning. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft en de WOZ-waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2020 gehandhaafd blijft op € 153.000.
10. Eiser heeft nog verzocht om immateriële schadevergoeding. Voor het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat geen aanleiding. De redelijke termijn is op het moment dat deze uitspraak wordt gedaan nog niet verstreken.
11. Er is geen aanleiding eiser een proceskostenvergoeding toe te kennen of het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Kattenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2023.
w.g. griffier
w.g. rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.