Eiseres betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een winkelpand op een A1-locatie, met name de gehanteerde huurwaarde en kapitalisatiefactor binnen de huurwaardekapitalisatiemethode. Zij stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het leegstandsrisico en de verminderde doelmatigheid van het pand. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatierapport, waarin de kapitalisatiefactor bottom-up is berekend en getoetst aan marktgegevens.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aan zijn bewijsverplichting heeft voldaan en dat de gehanteerde waarde niet te hoog is vastgesteld. De stellingen van eiseres over een hoger leegstandsrisico en onvoldoende vergelijkbaarheid van referentieobjecten worden verworpen. Ook het verzoek om aanvullende stukken wordt afgewezen omdat verweerder voldoende informatie heeft verstrekt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de WOZ-waarde van €10.678.000 per 1 januari 2019. Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie jaar wordt een immateriële schadevergoeding van €1.000 toegekend, waarvan €364 door verweerder en €636 door de Minister wordt betaald. Tevens worden proceskosten en griffierecht vergoed, verdeeld tussen verweerder en de Minister.