Eiser, van Jordaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in met het argument dat hij vreest voor vervolging door een bende, veroordelingen bij verstek wegens uitgeven van ongedekte cheques, en mogelijke strafvervolging vanwege belediging van een Jordaanse officier en de koning.
De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de strafvervolging voor een commuun delict niet zwaarwegend is en de beweringen over Interpol en vervolging wegens belediging niet geloofwaardig zijn. Ook werden eerdere asielaanvragen en terugkeerbesluiten gehandhaafd.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing, oordeelde dat eiser geen nieuwe feiten had aangevoerd die het eerdere oordeel konden wijzigen en dat de vervolging niet disproportioneel of discriminerend was. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen proceskostenvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door rechter A.W.C.M. van Emmerik en griffier F. Aissa op 7 maart 2023 te Groningen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.