ECLI:NL:RBNNE:2023:935

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 maart 2023
Publicatiedatum
13 maart 2023
Zaaknummer
10281002 \ CV EXPL 23-183
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:311 BWArt. 7:317 lid 2 BWArt. 139 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schriftelijke vastlegging pachtovereenkomst wegens onvoldoende bewijs

In deze civiele procedure vordert eiser schriftelijke vastlegging van een pachtovereenkomst met gedaagde, gebaseerd op een niet-schriftelijk aangegane overeenkomst. Gedaagde verschijnt niet in de procedure, waardoor verstek wordt verleend. De rechtbank toetst of de vordering gegrond is en of er sprake is van een pachtovereenkomst conform artikel 7:311 BW Pro.

De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat er een pachtovereenkomst bestaat tussen partijen met betrekking tot de genoemde percelen grasland. De overgelegde stukken bieden geen duidelijkheid over de inhoud en afspraken van een dergelijke overeenkomst. Hierdoor is het niet mogelijk om de overeenkomst schriftelijk vast te leggen.

De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten. De procedure biedt geen ruimte voor nader onderzoek omdat gedaagde niet heeft gereageerd. De uitspraak bevestigt het belang van voldoende bewijs en duidelijkheid bij vorderingen tot schriftelijke vastlegging van niet-schriftelijke overeenkomsten.

Uitkomst: De vordering tot schriftelijke vastlegging van de pachtovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Pachtkamer locatie Leeuwarden
zaak-/rolnummer: 10281002 \ CV EXPL 23-183

(verstek)vonnis van de pachtkamer d.d. 7 maart 2023

inzake

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. A. Noorman,
tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde.
Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd.

Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 6 januari 2023.
1.2.
Vervolgens is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1.
In deze procedure wordt van de volgende feiten uitgegaan. [B] is eigenaar van drie percelen grasland, kadastraal bekend gemeente Dalen, sectie F, nummer 545, groot 08.89.50 ha, sectie F, nummer 423, groot 06.58.05 ha en sectie N, nummer 171, groot 00.22.86 ha. [B] heeft de eigendom van deze percelen verkregen bij akte van levering van 6 maart 2013. Daarvoor was zij erfpachter van de percelen.
2.2.
[A] is in het verleden eigenaar geweest van de genoemde percelen. In 1989 heeft hij de percelen verkocht aan een trustkantoor, onder gelijktijdige vestiging van een recht van erfpacht. Het recht van erfpacht is in 1990 overgedragen aan de toen minderjarige [B] , waarbij is bepaald dat zij bekend was met het feit dat het recht van erfpacht dienstbaar was aan de besloten vennootschap [C] B.V, waarvan [A] enig bevoegd directeur was. In 2013 heeft [B] de blote eigendom van de percelen verkregen. [A] heeft de percelen in gebruik. Hij is thans [leeftijd] jaar.
De vordering en het verweer
3.1.
[A] vordert schriftelijke vastlegging op grond van artikel 7:317 lid 2 BW Pro van een reguliere pachtovereenkomst tussen hem en [B] , conform een overeenkomst die door [A] als productie 4 bij de dagvaarding is overgelegd, althans vastlegging van een pachtovereenkomst met een door de Pachtkamer vast te stellen inhoud, met veroordeling van [B] in de proceskosten en nakosten.
3.2.
[B] heeft niet geantwoord.
De beoordeling van het geschil4.1. Artikel 139 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering bepaalt kort gezegd dat indien een gedaagde niet verschijnt tegen hem verstek wordt verleend en de vordering tegen hem wordt toegewezen, tenzij deze vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De pachtkamer is van oordeel dat van dit laatste sprake is en zal de vordering daarom afwijzen. Daar ligt het volgende aan ten grondslag.
4.2.
Het is bij schriftelijke vastlegging van een niet-schriftelijk aangegane pachtovereenkomst de taak van de pachtrechter om hetgeen partijen zijn overeengekomen zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen (gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:8331).
4.3.
Allereerst moet in verband daarmee vaststaan dat er tussen partijen sprake is van een pachtovereenkomst. Daartoe dient vast te staan dat is voldaan aan de definitie die artikel 7:311 Burgerlijk Pro Wetboek geeft. De pachtkamer is van oordeel dat uit hetgeen door [A] is gesteld onvoldoende kan worden afgeleid dat er met betrekking tot de genoemde percelen sprake is van een pachtovereenkomst tussen hem en [B] omdat de in verband daarmee geldende vereisten onvoldoende zijn gesteld en uit de overgelegde stukken onvoldoende blijken. Hieruit volgt verder dat uit het gestelde ook niet kan worden afgeleid wat partijen hebben afgesproken, zodat het vastleggen van hetgeen zij zijn overeengekomen niet mogelijk is. De vordering kan daarom niet worden toegewezen. Nu [B] niet heeft geantwoord biedt deze procedure de pachtkamer geen mogelijkheid tot nader onderzoek naar het hiervoor bedoelde.
4.4.
[A] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van worden vastgesteld op nihil.

Beslissing

De pachtkamer:
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de [B] vastgesteld op nihil.
Aldus gewezen door de pachtkamer, bestaande uit mr. H.J. Idzenga, kantonrechter-voorzitter en G. Groothuis en Ir. J.P. Emmens, leden, en uitgesproken door de kantonrechter-voorzitter ter openbare terechtzitting van 7 maart 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.
c 324