ECLI:NL:RBNNE:2024:1107
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- M.C. Fuhler
- H.R. Eising
- C. Krijger
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak voor bezit van hennep wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en samenwerking
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 27 maart 2024 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het bezit van ongeveer 1150 gram hennep, een middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet. Het openbaar ministerie vorderde een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis, gebaseerd op tapgesprekken en het aantreffen van hennep in de schuur bij de woning van verdachte.
De verdediging voerde aan dat de tapgesprekken terughoudend geïnterpreteerd moeten worden vanwege de beperkte taalvaardigheid van verdachte en dat zij slechts sporadisch in de gesprekken voorkomt. Tevens werd aangevoerd dat verdachte niet beschikte over de hennep omdat deze in een schuur bij een woning stond die niet van haar was.
De rechtbank oordeelde dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen. Hoewel hennep werd aangetroffen in de schuur, kon niet worden vastgesteld dat verdachte hiervan op de hoogte was of dat zij beschikkingsmacht had. De tapgesprekken boden geen voldoende onderbouwing voor wetenschap of nauwe samenwerking. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde bezit van hennep.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het bezit van hennep wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en samenwerking.