Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2018, waarbij de inspecteur een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 98.076 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 1.050.000 had vastgesteld. Het geschil betrof de aftrekbaarheid van een bedrag van € 950.000 dat eiser op grond van een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moest betalen aan zakenpartner [N] en diens vennootschap.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat deze bedragen aftrekbare kosten zijn die verband houden met inkomen uit werk en woning of inkomen uit aanmerkelijk belang. Uit het arrest en de overzichten bleek niet dat het ging om door eiser gemaakte kosten, noch dat er een oorzakelijk verband bestond met zijn inkomen. Bovendien had eiser in 2018 geen aanmerkelijk belang meer in de vennootschap.
Wel stelde de inspecteur dat de verkrijgingsprijs van de aandelen onjuist was verwerkt, waardoor de rechtbank de aanslag corrigeerde en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderde tot € 1.049.900. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.