De werknemer trad in 2018 in dienst en beëindigde haar arbeidsovereenkomst per 1 januari 2024 via een vaststellingsovereenkomst. De werkgever was verplicht diverse bedragen, waaronder loon, transitievergoeding en vakantiegeld, uit te keren. De werkgever weigerde betaling en beriep zich onterecht op opschorting wegens vermeende tekortkomingen van de werknemer.
De werknemer vorderde betaling van €18.799,83 plus rente en incassokosten. De werkgever stelde dat de werknemer onvoldoende medewerking verleende en aansprakelijk was voor schade, waardoor opschorting gerechtvaardigd zou zijn. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een opeisbare vordering op de werknemer bestond en dat de opschorting onterecht was.
De kantonrechter wees de vordering van de werknemer toe, inclusief wettelijke rente en een beperkte wettelijke verhoging over het achterstallige loon. De vorderingen van de werkgever tot betaling van een voorschot en het verstrekken van informatie werden afgewezen. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.