Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de inspecteur van de Belastingdienst met betrekking tot navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over de jaren 2009, 2010 en 2011, inclusief de opgelegde boetes.
De inspecteur heeft de bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard, maar de formele verminderingsbeschikkingen zijn nog niet verstuurd. Verzoeker wilde dat de voorzieningenrechter de inspecteur zou verplichten deze voor 1 maart 2024 te versturen en een termijn van een jaar zou geven om beroepen te motiveren. Bij niet-naleving zou de inspecteur zijn recht tot oplegging verliezen en zouden de aanslagen vernietigd moeten worden.
De voorzieningenrechter heeft verzoeker gevraagd de spoedeisendheid nader te onderbouwen, maar hierop is niet gereageerd. De rechter oordeelt dat bij een financieel belang niet snel sprake is van onverwijlde spoed en dat verzoeker geen financiële noodsituatie heeft gesteld.
Daarnaast is de vraag of de inspecteur zijn recht heeft verwerkt een definitieve kwestie die niet in een voorlopige voorziening kan worden beoordeeld, maar in de hoofdzaak. Daarom ontbreekt het aan een spoedeisend belang en wordt het verzoek afgewezen zonder proceskostenvergoeding.