ECLI:NL:RBNNE:2024:1687

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2024
Publicatiedatum
3 mei 2024
Zaaknummer
C/18/232495/ KG RK 24-72
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRMArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 22 april 2024 het wrakingsverzoek van een verdachte tegen de rechter in zijn strafzaak. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid van de rechter, gebaseerd op opmerkingen en selectieve weergave van deskundigenrapportages tijdens een zitting op 4 maart 2024.

De verzoeker stelde dat de rechter onjuist had gehandeld door een verklaring over een snotdoek te betwisten, alleen de negatieve conclusies uit het NFI-rapport te bespreken en een onjuiste interpretatie te geven van het reclasseringscontact. De rechter ontkende deze beschuldigingen en gaf aan dat alle relevante hypotheses en nuanceringen waren besproken, en dat de advocaat van de verzoeker voldoende gelegenheid had gekregen om vragen te stellen.

De rechtbank overwoog dat de rechter vermoed moet worden onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. Het wrakingsverzoek bevatte echter geen concrete feiten die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverden. De behandeling van de zaak door de rechter bood geen aanleiding tot objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Daarom verklaarde de rechtbank het wrakingsverzoek ongegrond en besloot zij de strafprocedure voort te zetten in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de strafprocedure wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/232495/ KG RK 24-72
Beslissing van 22 april 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de verzoeker,
advocaat: mr. K. Cras,
strekkende tot de wraking van
mr. G. Eelsing,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 4 maart 2024;
- het proces-verbaal van 4 maart 2024 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 3 april 2024.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Eelsing als voorzitter van de meervoudige kamer in de strafzaak tegen verzoeker met parketnummer 18/175607-22. De strafzaak tegen verzoeker is op 5 januari 2023 inhoudelijk behandeld, waarna bij tussenvonnis van 19 januari 2023 het onderzoek is heropend en de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris voor het laten verrichten van nader onderzoek. Na heropening van het onderzoek zijn diverse deskundigenrapportages uitgebracht, welke zijn besproken tijdens de behandeling ter terechtzitting van 4 maart 2024. Tijdens de ter terechtzitting van 4 maart 2024 heeft mr. Cras, namens de verzoeker, de wraking verzocht van de rechter.
2.2
Namens de verzoeker is, kort samengevat, aan het verzoek ten grondslag gelegd dat door de opmerkingen van de rechter alsmede door het door de rechter voorhouden van de (verkeerde) conclusies uit de deskundigenrapportages, de vrees van partijdigheid aan de zijde van de rechter zowel objectief als subjectief gerechtvaardigd is. Daartoe is ten eerste aangevoerd dat de verzoeker ter zitting heeft verklaard over een snotdoek, waarop de rechter heeft voorgehouden dat aangever heeft verklaard dat dit geen snotdoek was. Daarbij heeft de rechter geen ruimte gelaten voor andere ontlastende bewijsmiddelen in het dossier. Daarnaast is aangevoerd dat de rechter bij de bespreking van de deskundigenrapportages uitsluitend de meest negatieve conclusies uit het NFI rapport heeft besproken, waarbij de ontlastende delen niet zijn besproken. Tot slot is aangevoerd dat de rechter een verkeerde interpretatie heeft gegeven aan het reclasseringscontact door te stellen dat geen gehoor is gegeven aan de oproep van de reclassering om mee te werken aan een rapport, terwijl dit niet juist is.

3.Het standpunt van de rechter

3.1
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking en heeft haar standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt per e-mail van 3 april 2024.
3.2
De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek ongegrond is. De rechter heeft betwist dat sprake was van een bepaalde toon of van het selectief voorhouden van stukken en onderdelen uit de deskundigenrapportages. Daartoe heeft de rechter aangevoerd dat zij de verklaring van aangeefster omtrent de snotdoek heeft voorgehouden, omdat deze verklaring is verwerkt in een van de twee hypotheses uit het deskundigenrapport. Nadat de advocaat van de verzoeker heeft gewezen op een andersluidende verklaring van een getuige, heeft de rechter deze verklaring en de andere hypothese waarin deze verklaring is verwerkt voorgehouden. Daarnaast heeft de rechter de conclusie uit het deskundigenrapport voorgehouden, alsmede de nuancering op de kansberekening. Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden heeft de rechter aangevoerd dat over het niet meewerken aan nadere rapportage van de reclassering vragen gesteld kunnen worden. Bovendien is bespreking van dit onderwerp niet relevant voor de beoordeling van het bewijs in strafzaken.

4.De beoordeling

4.1
De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.
4.2
Ingevolge artikel 512 Sv Pro kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 512 Sv Pro en artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend.
4.3
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het verzoek tot wraking geen concrete feiten en omstandigheden waaruit de vooringenomenheid van de rechter kan worden afgeleid. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het proces-verbaal ter terechtzitting niet blijkt dat sprake is geweest van een bepaalde toon of van het selectief voorhouden van delen uit de deskundigenrapportages. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter de beide hypotheses en de conclusie uit het deskundigenrapport heeft voorgehouden en dat de advocaat van de verzoeker meermalen in de gelegenheid is gesteld vragen te stellen aan de deskundige en opmerkingen te plaatsen. Ten aanzien van de bespreking van de persoonlijke omstandigheden van verdachte overweegt de rechtbank dat in de vraagstelling geen oordeel ligt besloten over de beantwoording van de formele en materiële vragen uit artikel 348 en Pro 350 Sv. De omstandigheid dat de rechter heeft aangegeven dat de persoonlijke omstandigheden ook hadden kunnen volgen uit een aanvullend reclasseringsrapport, maakt dit niet anders.
4.4
Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling ter terechtzitting door de rechter dan ook geen zwaarwegende aanwijzingen op voor het aannemen van vooringenomenheid van de rechter, of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
5.2
bepaalt dat de procedure met zaaknummer 18/175607-22 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking bevond;
5.3
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan:
- de verzoeker;
- mr. G. Eelsing;
- de betrokken partijen
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. C.W. Couperus-van Kooten en mr. H.J. Idzenga, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M.A. Toussaint, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2024.
- de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.