ECLI:NL:RBNNE:2024:1687
Rechtbank Noord-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende partijdigheid
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 22 april 2024 het wrakingsverzoek van een verdachte tegen de rechter in zijn strafzaak. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid van de rechter, gebaseerd op opmerkingen en selectieve weergave van deskundigenrapportages tijdens een zitting op 4 maart 2024.
De verzoeker stelde dat de rechter onjuist had gehandeld door een verklaring over een snotdoek te betwisten, alleen de negatieve conclusies uit het NFI-rapport te bespreken en een onjuiste interpretatie te geven van het reclasseringscontact. De rechter ontkende deze beschuldigingen en gaf aan dat alle relevante hypotheses en nuanceringen waren besproken, en dat de advocaat van de verzoeker voldoende gelegenheid had gekregen om vragen te stellen.
De rechtbank overwoog dat de rechter vermoed moet worden onpartijdig te zijn, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. Het wrakingsverzoek bevatte echter geen concrete feiten die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleverden. De behandeling van de zaak door de rechter bood geen aanleiding tot objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
Daarom verklaarde de rechtbank het wrakingsverzoek ongegrond en besloot zij de strafprocedure voort te zetten in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de strafprocedure wordt voortgezet.