De Stichting houdt zich bezig met opvang en adoptie van honden uit buitenlandse asielen. Gedaagden hebben in februari 2024 een hond gekocht en in februari 2024 een opvangcontract gesloten voor een andere hond, [naam 2], waarbij zij zich verplichtten de hond niet zonder toestemming over te dragen en op eerste verzoek terug te geven.
Na conflicten tussen de honden en onveilige situaties verzocht de Stichting op 18 maart 2024 de teruglevering van [naam 2]. Gedaagden weigerden dit en vertrokken met de hond naar een geheim adres. De Stichting vordert in kort geding de onmiddellijke teruglevering, een dwangsom, een boete en een voorwaardelijke machtiging tot gijzeling van gedaagde sub 2.
De rechtbank oordeelt dat de Stichting eigenaar is van [naam 2] en dat gedaagden gehouden zijn tot teruglevering. Gezien de onwil van gedaagde sub 2 wordt een dwangsom van maximaal €20.000 opgelegd en een voorwaardelijke machtiging tot gijzeling voor maximaal drie weken verleend. Gedaagde sub 1 wordt veroordeeld tot betaling van een boete van €750. De proceskosten worden aan gedaagden opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.