Uitspraak
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 16 mei 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst / kantoor Arnhem
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
verbrandof
gestort(zie ook artikel 22, lid 1, onderdeel c van de Wbm). Zo vermeldt de memorie van toelichting (MvT) bij de oorspronkelijke invoering van de afvalstoffenbelasting (in de Wet op de verbruiksbelastingen op milieugrondslag) [2] het volgende op pagina 14:
Dit voorstel betrekt, zoals gezegd, alleen de eindverwerking die plaatsvindt in inrichtingen waar afvalstoffen worden verwerkt die van anderen afkomstig zijn, in de heffing.”,
In het vorenstaande is uitgegaan van de veronderstelling dat de aan een inrichting afgegeven afvalstoffen ook alle bestemd zijn voor verwerking in de zin van artikel 12, onderdeel b: het verbranden van afvalstoffen dan wel het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten. Deze vormen van verwerking worden ook wel eindverwerking genoemd.”
Voor afvalstoffen die de inrichtingen weer verlaten, bijvoorbeeld plastic, metaal en bodemas, wordt een belastingvermindering toegepast. Per saldo wordt geheven over de hoeveelheid die feitelijk wordt verbrand respectievelijk gestort. Dit wordt wel de in-uit methode genoemd.”
storten. Het onvermijdelijke bijproduct van het
verbrandenis evenwel niet uitgezonderd. Uit het niet opnemen van de uit het afval afkomstige koolstof en zuurstof in het korte rijtje met uitzonderingen kan worden afgeleid dat voor CO2 die de inrichting verlaat, dus juist
geenuitzondering op de vermindering geldt. Verder wordt in de memorie van toelichting [4] bodemas - een verbrandingsproduct - op één lijn gesteld met plastic en metaal. Het is dus kennelijk geen belemmering in de ogen van de wetgever dat de stof waarvoor vermindering wordt verleend, tijdens het proces van verwijdering is gevormd, of beter en concreter gezegd: een restproduct is van het verbrandingsproces. Tot slot wijst de rechtbank erop dat de inspecteur op de zitting heeft verklaard dat CO2 die vrijkomt bij de verbranding en die vloeibaar wordt gemaakt om vervolgens van het terrein te kunnen afvoeren, wél voor vermindering in aanmerking komt op grond van de wetsuitleg die de inspecteur voorstaat. Het gaat dus kennelijk niet principieel om de omstandigheid dat het een verbrandingsproduct is en niet het resultaat van afvalscheiding of recycling ter plaatse die heeft plaatsgevonden vóór de eindverwerking. De rechtbank kan geen goede reden bedenken waarom op grond van dezelfde wettekst dan iets anders zou gelden voor CO2 die de inrichting via de schoorsteen verlaat. Dit alles leidt de rechtbank tot de conclusie dat een grammaticale uitleg van de wettekst gaat voor een
mogelijkandere uitleg op basis van (delen van) de parlementaire geschiedenis.
Conclusie en gevolgen
De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat de vergoeding moet worden berekend met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat eiseres recht heeft op 1 punt voor de bezwaarfase en 2 punten voor de beroepsfase. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.060 (1 × € 310 + 2 × € 875).