Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
13.Opeisbaarheid
als de kredietnemer gedurende ten minste 2 maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen maandtermijn, en na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen;”
voorwaardevoor opeisbaarheid van de (hoofd)schuld. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres een aantal malen met betalingsachterstanden van de maandtermijnen heeft gekampt. Vóór 1 juni 2021 was er blijkens de overgelegde brieven van [schuldeiser 1] tenminste eenmaal (in 2016) een grotere achterstand dan twee maandtermijnen. Uit die brieven volgt ook dat deze betalingsachterstand op enig moment weer is ingelopen tot een achterstand van minder dan twee maandtermijnen. Eiseres heeft meerdere herinneringen ontvangen met daarin (vriendelijke) verzoeken om alsnog achterstallige termijnen te voldoen. De rechtbank kan evenwel slechts uit de overgelegde brief van 4 juni 2021 van [schuldeiser 1] een formele ingebrekestelling afleiden waarop vervolgens geen betaling binnen de gestelde termijn is gevolgd. Daaruit volgt dus dat pas ná de datum van 1 juni 2021 aan de voorwaarde van opeisbaarheid is voldaan. De overgelegde brief van 19 februari 2016 van [schuldeiser 1] houdt wel een ingebrekestelling in, maar gesteld nog gebleken is dat vervolgens niet binnen de gestelde termijn van 2 weken door eiseres is betaald. Aldus is niet aannemelijk gemaakt dat de (hoofd)schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep tegen besluitonderdeel 1 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen besluitonderdeel 2 ongegrond.