ECLI:NL:RBNNE:2024:2267

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 april 2024
Publicatiedatum
13 juni 2024
Zaaknummer
18-134994-23 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel na witwassen en oplichting

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 30 april 2024 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor witwassen en oplichting. De officier van justitie had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, berekend op basis van diverse transacties.

Tijdens de zitting op 16 april 2024 verscheen veroordeelde, bijgestaan door haar raadsman. De verdediging betwistte niet dat veroordeelde voordeel had genoten, noch de berekening daarvan. De rechtbank baseerde zich op een rapport met berekeningen per transactie, waarbij zij afweek van het rapport door bij transactieberekening 2 alleen de helft van de aankoopprijs als voordeel aan te merken.

De totale berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kwam uit op €10.080,17. De rechtbank hield rekening met de wettelijke bepalingen omtrent ontneming en de mogelijkheid tot verrekening van toegekende schadevergoedingen, maar aangezien niet was voldaan aan de aan de benadeelde toegekende schadevergoeding, werd deze niet in mindering gebracht.

De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde tevens de maximale duur van gijzeling op 201 dagen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer, bestaande uit drie rechters, en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht €10.080,17 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-134994-23
Beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 30 april 2024 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende [adres] ,
thans verblijvende in de [instelling] , hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 2 januari 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van 10.382,63 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer
18-134994-23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 16 april 2024. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het op het standpunt gesteld dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt dient te gelden en dat het voordeel moet worden geschat op een bedrag van 10.311,63, te weten de som van transactieberekening 1 ( 9.787,00) en transactieberekening 2 ( 524,63). Transactieberekening 3 dient buiten beschouwing gelaten te worden omdat dit ziet op de aan de benadeelde partij [benadeelde partij] toe te kennen schadevergoeding.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft niet bestreden dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en dat dit conform de berekening kan worden vastgesteld op 10.382,63.

Bewijsmiddelen 1

Met betrekking tot het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt de rechtbank als bewijsmiddelen:
  • de in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 30 april 2024 in de onderliggende strafzaak (verder: het vonnis) opgenomen bewijsmiddelen;
  • het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict (verder: het rapport)2.

Beoordeling

Het vonnis van 30 april 2024.
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 30 april 2024 in de zaak met parketnummer 18-134994- 23 onder meer veroordeeld ter zake van: het plegen van witwassen een gewoonte maken en oplichting. Dit is telkens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Op grond van artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank is bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van het rapport. Uit het rapport blijkt dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de eigen verklaring van veroordeelde, de aangifte van [naam] , de aangifte van [naam] en de op de bankrekening gestorte geldbedragen. De rechtbank acht deze berekeningswijze, die niet door de verdediging is bestreden, in beginsel deugdelijk en betrouwbaar.
Ten aanzien van transactieberekening 2 wijkt de rechtbank af van het rapport. De rechtbank gaat bij de berekening alleen uit van de prijs van de bestelde goederen en houdt dus geen rekening met incassokosten. Daarnaast volgt uit de verklaring van verdachte dat zij geen goederen zelf heeft gehouden en volgt uit het rapport dat de goederen gemiddeld voor de helft van het aankoopbedrag werden doorverkocht. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom uit van de helft van de prijs van de aangeschafte goederen.
De berekening is als volgt.
Transactieberekening 1.
De rechtbank gaat op basis van de Excellijst aangeleverd door [bedrijf] uit van de (door)verkoop door verdachte van 137 bestellingen; te weten:
  • 22 Panama Jack laarzen met een gemiddelde winst van 95,00 = 2.090,00
  • 82 Olaplex met een gemiddelde winst van 75,00 = 6.225,00
  • 32 overige goederen met een gemiddelde winst van 46,00 = 1.472,00.
Het totale voordeel van transactieberekening 1 = 9.787,00.
Transactieberekening 2.
De rechtbank gaat uit van bestellingen gedaan op naam van [naam] en [naam] die door verdachte voor de helft van de aankoopprijs zijn (door)verkocht, te weten:
  • Klarna bestellingen = 104,70
  • Zalando bestellingen = 117,47.
Het totale voordeel van transactieberekening 2 = 222,17.
Transactieberekening 3.
De rechtbank gaat uit van een opbrengst van 75,00 vanwege de oplichting van [benadeelde partij] . De kosten zijn geschat op 4,00.
Het totale voordeel van transactieberekening 3 = 71,00.
Conclusies en vaststelling omvang wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op voorgaande berekeningen en overwegingen komt de rechtbank tot de volgende berekening:
Transactieberekening 1 9.787,00
Transactieberekening 2 222,17
Transactieberekening 3 71,00
Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel 10.080,17
De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 10.080,17 voordeel heeft genoten.
Gelet op artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover die zijn voldaan. Nu niet blijkt dat de veroordeelde de aan de benadeelde partij [benadeelde partij] in het vonnis toegekende schadevergoeding heeft voldaan ziet de rechtbank geen redenen om transactieberekening 3 in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Vaststelling betalingsverplichting
De rechtbank ziet geen redenen de op te leggen betalingsverplichting op een lager bedrag te stellen dan het hiervoor genoemde bedrag aan genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank stelt derhalve de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op 10.080,17 en zal bepalen dat veroordeelde voornoemd bedrag dient te betalen aan de Staat.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
10.080,17.
Legt
[veroordeelde]voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van
10.080,17(zegge: tienduizend tachtig euro en zeventien cent) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 201 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. L.S. Langius, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 april 2024.
Mr. H. Brouwer en de griffier zijn buiten staat deze beslissing te ondertekenen.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de politie, met
proces-verbaalnummer PL0100-2023134135, doorgenummerd 1 tot en met 412. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
2 Paginas 407, 408, 409 en 410.