Op 19 juni 2023 stichtte verdachte samen met een medeverdachte brand in een leegstaand pand te Oldambt. De brand veroorzaakte aanzienlijke materiële schade en gevaar voor omliggende goederen, maar levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kon niet wettig en overtuigend worden vastgesteld.
De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van medeverdachten, getuigen, en chatberichten die het medeplegen bevestigen. Verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde levensgevaar omdat onvoldoende bewijs bestond over de aanwezigheid en ligging van omwonenden tijdens de brand.
De rechtbank hield rekening met de positieve persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jeugdige leeftijd, eerdere niet-verdachte gedragingen, en deelname aan jeugdreclassering. De straf werd vastgesteld op een taakstraf van 50 uur, met een vervangende jeugddetentie van 25 dagen bij niet-naleving.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding wegens onvoldoende onderbouwing en bevoegdheid. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Verdachte en benadeelde partij dragen ieder hun eigen proceskosten.