ECLI:NL:RBNNE:2024:2466

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2024
Publicatiedatum
1 juli 2024
Zaaknummer
C/18/235618 KG RK 24-211
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens overschrijding termijn

De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 juni 2024 het wrakingsverzoek van verzoeker tegen kantonrechter C.J.R. de Locht beoordeeld. Verzoeker stelde dat de rechter onvoldoende gelegenheid bood om zich te verweren tegen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing en dat er sprake was van schijn van partijdigheid.

De rechter betwistte deze beschuldigingen en voerde aan dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, waardoor het verzoek niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek inderdaad te laat was ingediend, namelijk bijna een maand na de zitting waarop de vermeende onpartijdigheid zich zou hebben voorgedaan.

Op grond van artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet een wrakingsverzoek tijdig worden gedaan zodra de feiten bekend zijn. Verzoeker gaf geen verklaring voor het tijdsverloop. Daarom werd het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard en werd de procedure voortgezet zoals die was voor de schorsing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LEEUWARDEN

Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/235618/ KF RK 24-211
Beslissing van 24 juni 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
hierna te noemen: verzoeker,
gemachtigde: de heer E. Klein
strekkende tot de wraking van
mr. C.J.R. de Locht,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het schriftelijke wrakingsverzoek van 15 juni 2024
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 19 juni 2024
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 17 mei 2024.

2.Het wrakingsverzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. C.J.R. de Locht, kantonrechter in deze
rechtbank, locatie Assen, in de zaak met [zaaknummer] , tussen verzoeker en [verweerder] Verzoeker is eiser in deze procedure.
2.2
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, kort samengevat, aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter aan hem onvoldoende de gelegenheid heeft gegeven om zich tegen een niet-ontvankelijkheidsbeslissing te kunnen verweren. Op aangevoerde protesten ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid van verzoeker heeft de rechter niet gereageerd. Daarnaast heeft verzoeker geen inhoudelijke standpunten mogen aanvoeren en zijn de bewijsmiddelen aan de zijde van de wederpartij niet door de rechter getoetst. De rechter heeft voorts aangehaald dat het vervalstermijn ook in hoger beroep in de weg zal staan aan een inhoudelijke behandeling en zal leiden tot niet-ontvankelijkheid. Tijdens de zitting is door de rechter meermalen benadrukt dat de wederpartij een passend aanbod heeft gedaan. Gelet op vorenstaande alsmede zijn houding ter terechtzitting stelt de verzoeker dat de rechter blijk heeft gegeven (de schijn) van partijdigheid.
2.3
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft – onder meer – het volgende aangevoerd in zijn verweerschrift. Allereerst voert de rechter aan dat het verzoek tot wraking niet tijdig is ingediend. Dit maakt dat het verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechter heeft daarnaast opgemerkt dat er, gelet op de inhoud van het proces-verbaal, geen feiten en omstandigheden zijn die blijk hebben gegeven van (de schijn van) vooringenomenheid. De rechter betwist de door de verzoeker beschreven gang van zaken ten aanzien van de aanvang van de zitting. Voorts heeft de rechter verzoeker gewezen op de overschrijding van de vervaltermijn waar de wederpartij een beroep op heeft gedaan, dit betreft een inhoudelijke beoordeling en betreft geen grond voor wraking. Voor zover de rechter ter zitting heeft aangegeven het raadzaam te achten het aanbod van de wederpartij te aanvaarden, strekte dit tot niets anders dan de verzoeker erop te wijzen dat dit een prima aanbod betrof, aangezien deze betaling niet meer in rechte af te dwingen was.

3.De beoordeling

3.1
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2
Verder geldt ingevolge artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat het verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan de verzoeker bekend zijn geworden. De wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek van verzoeker niet aan dit wettelijke voorschrift van tijdige indiening voldoet. Op 17 mei 2024 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden waar de door verzoeker aangevoerde gronden op zien. Het wrakingsverzoek is vervolgens pas op 18 juni 2024 binnengekomen bij de rechtbank. Verzoeker heeft geen enkele verklaring gegeven voor dit tijdsverloop. Verzoeker zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn wrakingsverzoek. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen aanleiding. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
4.2.
bepaalt dat de procedure met [zaaknummer] dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en de rechter;
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. C.W. Couperus-van Kooten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Gaastra als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024.
- de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.