ECLI:NL:RBNNE:2024:2582

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
10 juli 2024
Zaaknummer
234874
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 lid 4 FwProcesreglement Insolventiezaken artikel 3.2.2.4
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening inzake executoriaal beslag op auto in insolventieprocedure

Verzoekster, vennoot en hoofdelijk aansprakelijk voor aanzienlijke schulden van haar ondernemingen, heeft een voorlopige voorziening gevraagd om het executoriaal beslag en de verkoop van haar auto op te schorten. De auto wordt gebruikt voor woon-werkverkeer en zakelijke ritten. De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro alleen kan worden toegekend bij een acute noodsituatie.

De rechtbank oordeelt dat verzoekster onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat sprake is van een dergelijke spoedeisendheid. De belangen van verzoekster betreffen vooral zakelijke belangen binnen haar vennootschappen, die niet meegewogen mogen worden in deze procedure. Het beslag leidt niet tot directe problemen in het Wsnp- of dwangakkoordtraject.

Wel verlengt de rechtbank de wettelijke termijn van één maand voor het aanvullen van het Wsnp-verzoek tot drie maanden, gezien de lopende verkoop van de accommodatie en het opstellen van een minnelijk akkoord. Het verzoek tot opschorting van het beslag wordt afgewezen, maar verzoekster krijgt extra tijd om haar Wsnp-verzoek aan te vullen.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar de termijn voor het aanvullen van het Wsnp-verzoek wordt verlengd tot drie maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/234874 / FT RK 24/645

beschikking van 10 juli 2024

in de zaak van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen [verzoekster] ,
tegen
[verweerder] ,
zetelende te [vestigingsplaats]
[adres]
,
hierna te noemen de verweerder.

PROCESGANG

Op 17 mei 2024 is door [verzoekster] tegelijk met een (niet volledig) verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) een verzoek ingediend tot het geven van een voorlopige voorziening bij voorraad. De gevraagde voorziening houdt in dat de rechtbank het executoriale beslag dat [verweerder] heeft gelegd op de [auto] en de executoriale verkoop daarvan zal opschorten. Daarnaast heeft [verzoekster] verzocht om een termijn van zes maanden om het Wsnp-verzoek aan te vullen dat subsidiair is bij een nog in te dienen verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord.
Op 22 mei 2024 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen en is de gevraagde voorziening tijdelijk toegewezen. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank [verzoekster] verzocht om de rechtbank nader te informeren over een aantal zaken met betrekking tot de ondernemingen waaraan [verzoekster] is verbonden. Op 21 juni 2024 heeft de rechtbank van Bureau Benedictus namens [verzoekster] een nadere toelichting ontvangen.
Het verzoek tot het geven van een voorlopige voorziening bij voorraad is behandeld ter zitting van 26 juni 2024, waarbij [verzoekster] is verschenen samen met de heer G. Benedictus van Bureau Benedictus. Hoewel behoorlijk opgeroepen is [verweerder] niet verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De feiten
[verzoekster] is samen met haar ex-partner vennoot van [bedrijf] en via haar beheer-BV voor 50% aandeelhouder in [bedrijf] . De Vof exploiteert een [bedrijf] en de accommodatie waarin de zorg wordt verleend is eigendom van de BV. [verzoekster] is als vennoot hoofdelijk verbonden voor schulden die voortvloeien uit de ondernemingen.
Door een mislukte verbouwing aan de accommodatie is de BV in financiële problemen gekomen. Voor de financieringen die de BV is aangegaan om deze verbouwing te bekostigen, is [verzoekster] hoofdelijk aansprakelijk en deze zijn geraamd op 1 á 1,5 miljoen euro. Om de BV nieuw leven in de blazen is in eerste instantie geprobeerd een WHOA-traject op te starten (Wet Homologatie Onderhands Akkoord). Dit traject is in juni 2024 gestrand. Momenteel wordt getracht de accommodatie, waarin de Vof haar activiteiten uitoefent, te verkopen aan een vastgoedinvesteerder.
De Vof waarvan [verzoekster] vennoot is, is winstgevend. Naast de schulden aan de verbouwingsfinanciers waarvoor [verzoekster] hoofdelijk aansprakelijk is, heeft zij privé een schuldenlast van ongeveer € 35.000,- Zodra de totale vordering van de verbouwingsfinanciers bekend is, kan de sanering van de totale schuldenlast van [verzoekster] worden gestart, waarbij gemikt wordt op een minnelijk (dwang)akkoord.
Het verzoek
Via een verkeersfuik heeft [verweerder] op 19 april 2024 de auto van [verzoekster] in beslag genomen. De executoriale verkoop is gepland op 3 juni 2024. [verweerder] heeft uit hoofde van zeven dwangbevelen een vordering op [verzoekster] van € 12.905,00.
[verzoekster] heeft aangevoerd dat de gevraagde voorziening bij voorraad noodzakelijk is omdat het voertuig onmisbaar is voor haar bedrijfsvoering nu het voertuig naast woon-werk verkeer ook wordt gebruikt voor zakelijke ritten. Ter zitting is namens [verzoekster] nog betoogd dat vanwege het beslag van [verweerder] sprake is van schuldeisersongelijkheid. Bovendien wordt het minnelijk traject door het beslag gefrustreerd.
De beoordeling
De rechtbank overweegt dat een voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Fw Pro kan worden uitgesproken ter overbrugging van de periode tussen de indiening van en de beslissing op het verzoekschrift tot toepassing van de Wsnp of tot het opleggen van een dwangakkoord, als er een noodvoorziening nodig is. Er zijn geen beperkingen gesteld ten aanzien van het vorderen van voorlopige voorzieningen en het staat de rechter dan ook vrij om die maatregelen te treffen die hij geraden acht en voor de duur die hij geraden acht (MvA Kamerstukken I 2006/07, 29 942,C). De wet heeft artikel 287 lid 4 Fw Pro zo geformuleerd dat de rechtbank een voorlopige voorziening kan geven als sprake is van spoedeisendheid. Hoewel de gewone regels van stelplicht en bewijslast niet van toepassing zijn op een procedure als de onderhavige, moet een verzoeker in een dergelijke procedure zijn spoedeisend belang wel stellen en waar nodig onderbouwen. Die noodzaak tot onderbouwing vloeit voort uit het procesreglement waaruit blijkt dat de noodzaak van de voorziening moet worden aangetoond, mede aan de hand van schriftelijke stukken (artikel 3.2.2.4. Procesreglement Insolventiezaken).
De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] ten aanzien van de noodzaak van het verzoek, en daarmee van de spoedeisendheid, onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd en de rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit het verzoekschrift is onvoldoende gebleken van een acute noodsituatie waarvoor reeds in dit stadium een voorziening getroffen moet worden totdat beslist is op het Wsnp-verzoek dan wel het verzoek dwangakkoord. Bureau Benedictus heeft namens [verzoekster] aangevoerd dat vanwege het gelegde beslag sprake is van schuldeisersongelijkheid en dat het minnelijk traject door het beslag wordt gefrustreerd. Naar het oordeel van de rechtbank impliceert dit echter niet dat sprake is van een acute noodsituatie. Het staat een schuldeiser immers vrij om, totdat op een verzoek tot toepassing van de Wsnp is beslist, door middel van een executoriaal beslag zijn vordering te innen. Wanneer een schuldenaar in zo'n geval een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw Pro indient, komt het aan op een belangenafweging waarbij de rechtbank het belang van die schuldeiser bij het voortzetten van de executie moeten afwegen tegen het belang van de schuldenaar bij het behoud van de beslagen zaak. Naar het oordeel van de rechtbank trekt [verzoekster] in het kader van deze belangenafweging aan het kortste eind omdat de door [verzoekster] gestelde belangen vooral zien op de positie van de BV, de Vof en de zakelijke rol die [verzoekster] daarin speelt. Nog daargelaten dat de auto daarbij een marginale rol speelt, is het niet aan de rechtbank om in het kader van een verzoek ex artikel 287 lid 4 Fw Pro deze (zakelijke) belangen te laten meewegen. Niet gesteld of gebleken is dat het beslag van [verweerder] zorgt voor problemen die met het oog op de aanvraag en het doorlopen van het traject rond het verzoek Wsnp dan wel het verzoek dwangakkoord nu getackeld moeten worden. Zo heeft [verzoekster] bijvoorbeeld niet gesteld en onderbouwd dat sprake is van een budgettair probleem vanwege het beslag waardoor, in het zicht van toelating tot de Wsnp, nieuwe schulden zouden kunnen ontstaan. In deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorlopige voorziening uit te spreken.
Over het verzoek tot het verlenen van een langere termijn, namelijk zes maanden, voor het compleet maken van het Wsnp-verzoek overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is door en namens [verzoekster] verklaard dat de grootste verbouwingsfinancier de financiering formeel heeft opgezegd per 1 oktober 2024. Men is nu doende de accommodatie te verkopen waarbij ten behoeve van deze financier een hypotheek zal worden gevestigd. Dit moet zijn beslag krijgen voor 1 oktober 2024 en alsdan is ook het totale schuldenpakket van [verzoekster] bekend en kan een minnelijk aanbod worden gedaan. De rechtbank overweegt dat artikel 287 lid 4 Fw Pro weliswaar een termijn van een maand geeft om het Wsnp-verzoek aan te vullen dan wel een verzoek dwangakkoord op te stellen, maar de rechtbank ziet in voormelde omstandigheden aanleiding om deze termijn te verlengen tot 3 maanden vanaf heden zodat het minnelijk traject kans van slagen heeft.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De rechtbank
- wijst het verzoek af;
- verleent [verzoekster] een termijn van 3 maanden vanaf heden om het verzoek tot toelating tot de Wsnp aan te vullen.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2024, in tegenwoordigheid van de griffier. [1]

Voetnoten

1.Door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden locatie Leeuwarden, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.