ECLI:NL:RBNNE:2024:2631

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 juni 2024
Publicatiedatum
15 juli 2024
Zaaknummer
LEE 24/2049
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker diende op 25 april 2024 een verzoek om voorlopige voorziening in bij de rechtbank Noord-Nederland, zaaknummer LEE 24/2049. Dit verzoek werd op 26 april 2024 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doorgestuurd naar de rechtbank en kwam op 1 mei 2024 binnen. De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting vanwege kennelijke niet-ontvankelijkheid.

De kern van het geschil betrof het niet betalen van het griffierecht van €51,-. De griffier stelde een termijn voor betaling, en stuurde op 4 mei 2024 een aangetekende brief naar verzoeker met een betalingsverzoek en waarschuwing voor niet-ontvankelijkheid bij niet-betaling. De brief werd op 7 mei 2024 bezorgd op een PostNL-punt, maar niet afgehaald, waarna de brief op 11 juni 2024 retour kwam en vervolgens als gewone brief naar het adres van verzoeker werd verzonden.

Verzoeker betaalde het griffierecht niet alsnog en gaf geen reden of verontschuldiging voor het verzuim. De voorzieningenrechter oordeelde daarom dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is en wees het verzoek af zonder inhoudelijke beoordeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 28 juni 2024 door mr. C.H. de Groot.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/2049

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juni 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker van 25 april 2024. Deze voorziening is op 26 april 2004 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doorgestuurd naar de rechtbank en op
1 mei 2024 ingekomen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 51,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 4 mei 2024 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Verzoeker is in deze brief gewezen op het risico van niet-ontvankelijk verklaring indien hij het griffierecht niet op tijd betaald. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 7 mei 2024 is bezorgd op een PostNL-punt. Deze brief is vervolgens op 11 juni 2024 retour binnen gekomen bij de rechtbank, met als reden dat het poststuk niet bij een PostNl-punt is afgehaald. Het niet afhalen van een poststuk komt voor rekening en risico van de verzoeker. Op 11 juni 2024 is deze brief als gewone brief verzonden naar het bij de rechtbank bekende adres van verzoeker. Verzoeker heeft het griffierecht niet alsnog betaald.
4. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.