Eisers zijn sinds 2020 eigenaar van een perceel waarover een geschil is met gedaagden, die sinds 1991 eigenaar zijn van een aangrenzend perceel. Een veekering, geplaatst door de rechtsvoorganger van eisers, ligt niet op de kadastrale grens maar circa vijf meter binnen het perceel van eisers. Gedaagden gebruiken deze strook grond en stellen eigenaar te zijn door verjaring.
De rechtbank beoordeelt of gedaagden bezitsdaden hebben verricht die de verjaringstermijn doen lopen. Het enkele onderhoud en het laten grazen van schapen worden niet als bezitsdaden aangemerkt. Ook het spelen van kinderen en het houden van feestjes op de grond is onvoldoende om bezit aan te nemen.
De rechtbank concludeert dat de kadastrale grens de juridische erfgrens is en dat eisers eigenaar zijn gebleven van de betwiste strook grond. De vorderingen van eisers om betreden en onderhoud te verbieden, ontruiming van de strook en het gedogen van een nieuwe erfafscheiding worden toegewezen. Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van proceskosten en een gemaximeerde dwangsom.