ECLI:NL:RBNNE:2024:3111

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 augustus 2024
Publicatiedatum
12 augustus 2024
Zaaknummer
C/18/23/122 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 349a lid 1 FwArt. 349a lid 2 FwArt. 284 FwArt. 285 FwArt. 361 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling eerdere ingangsdatum en verkorting looptijd WSNP

De schuldenaar heeft verzocht om verkorting van de looptijd van de WSNP-regeling en een eerdere ingangsdatum toe te kennen op grond van artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet, omdat hij tijdens het minnelijk traject boedelafdrachten heeft voldaan. De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen omdat het verzoek niet bij het oorspronkelijke verzoekschrift was ingediend en ook niet tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd.

De rechtbank overweegt dat sinds 1 juli 2023 bij de termijnbepaling rekening kan worden gehouden met een ingangsdatum vóór de toelating tot de regeling, mits dit tijdig en met de juiste stukken wordt verzocht. De schuldenaar heeft echter geen onderbouwende stukken bijgevoegd en heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het eerdere vonnis waarin de looptijd op achttien maanden werd vastgesteld.

Daarnaast voldoet het verzoek niet aan de formele vereisten, zoals ondertekening door een advocaat. Daarom kan de rechter-commissaris het verzoek tot verkorting van de looptijd en vaststelling van een eerdere ingangsdatum niet honoreren en wijst hij het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van een eerdere ingangsdatum en verkorting van de looptijd van de WSNP-regeling is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/23/122 R

beschikking van 9 augustus 2024

ex artikel 349a van de Faillissementswet van de rechter-commissaris in de schuldsaneringsregeling van:
[schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen de schuldenaar,
bewindvoerder: F. Maatjes.

PROCESGANG

Bij bericht in Toezicht van 25 juni 2024 heeft de bewindvoerder het verzoek van de schuldenaar voorgelegd tot verkorting van de looptijd. De rechter-commissaris heeft op 26 juni 2024 de bewindvoerder bericht dat het verzoek tot verkorting van de looptijd wordt afgewezen. Op verzoek van de schuldenaar heeft de bewindvoerder vervolgens op 31 juli 2024 verzocht de afwijzing van het verkortingsverzoek in een beschikking vast te leggen.
De schuldenaar is van mening dat hij in aanmerking komt voor verkorting van de looptijd, aangezien hem door de indiener van het verzoekschrift WSNP is voorgehouden dat het op grond van artikel 349a lid 1 van de Faillissementswet (Fw) mogelijk zou zijn dat bij de vaststelling van de termijn van de WSNP-regeling rekening gehouden wordt met de periode waarin in de MSNP-regeling is gespaard voor de schuldeisers.
De schuldenaar heeft tijdens het MSNP-traject in de periode augustus 2022 tot april 2023 boedelafdrachten voldaan. In de periode augustus-december 2022 was er sprake van een bijstandsuitkering en heeft de [schuldenaar] € 55,00 per maand afgedragen, in totaal € 330,00 (inclusief een extra afdracht in de maand januari 2023). In de periode januari-april 2023 heeft de [schuldenaar] per maand een bedrag van € 328,20 afgedragen, in totaal € 1312,80. Het totaalbedrag van € 1.642,80 is in de WSNP-regeling op de boedelrekening gestort. Daarnaast heeft de schuldenaar het saldo op de zakelijke- en privérekeningen voor een bedrag van € 3.453,10 op de boedelrekening gestort.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechter-commissaris is van oordeel dat het verzoek van de schuldenaar tot verkorting van de looptijd moet worden afgewezen en overweegt daartoe als volgt.
De rechter-commissaris begrijpt dat de schuldenaar een beroep doet op de regeling van artikel 349a lid 1 Fw. In artikel 349a lid 1 Fw is bepaald dat de rechter de termijn van de schuldsaneringsregeling vaststelt. Sinds 1 juli 2023 kan op grond van de bewoordingen van artikel 349a lid 1 Fw bij de termijnbepaling worden gerekend met een ingangsdatum van de termijn vóórdat de regeling ten aanzien van een schuldenaar van toepassing wordt verklaard. In het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken is artikel 3.1.2.6 onder f opgenomen welke stukken bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd in het geval een beroep wordt gedaan op een eerdere ingangsdatum in de zin van artikel 349a lid 1 Fw.
De rechter-commissaris leidt uit dit stelsel af dat de rechtbank bij toelating beslist op de vraag of sprake kan zijn van een eerdere ingangsdatum. Een verzoek om een eerdere ingangsdatum dient dan ook in het verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro juncto artikel 285 Fw Pro dan wel tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift door de rechtbank te worden gedaan.
In het door de schuldenaar ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw Pro juncto artikel 285 Fw Pro is geen verzoek om een eerdere ingangsdatum opgenomen en is vermeld dat er geen spaarsaldo uit het minnelijk traject is. Evenmin heeft de schuldenaar ter zitting van 18 augustus 2023 de rechtbank verzocht om een eerdere ingangsdatum vast te stellen. Bij gebrek aan een verzoek om een eerdere ingangsdatum heeft de rechtbank bij vonnis van 20 september 2023 de termijn van de regeling vastgesteld op de normale looptijd, zijnde achttien maanden. Het had vervolgens op de weg van de schuldenaar gelegen om hoger beroep tegen het toelatingsvonnis van de rechtbank in te stellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om zo alsnog een eerdere ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling toegewezen te krijgen. Dit heeft hij niet gedaan. Inmiddels is deze beroepstermijn ook ruimschoots verstreken.
De rechter-commissaris merkt overigens nog op dat bij het verzoekschrift ook geen onderbouwende stukken, zoals bedoeld in artikel 3.1.2.6 onder f van het procesreglement, zijn gevoegd.
Naar het oordeel van de rechter-commissaris kan de schuldenaar nu niet met een verzoek tot verkorting van de looptijd afdwingen dat er feitelijk alsnog een eerdere ingangsdatum wordt vastgesteld.
Voor zover de schuldenaar dit verzoek baseert op artikel 349a lid 2 Fw overweegt de rechter-commissaris nog dat niet aan de voorwaarden is voldaan, nu een dergelijk verzoek op grond van artikel 361 Fw Pro door een advocaat moet zijn ondertekend.

BESLISSING

De rechter-commissaris:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven op 9 augustus 2024 door mr. N.A. Baarsma. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, binnen vijf dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de rechtbank.