Uitspraak
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
Rechtbank Noord-Nederland
Eisers vorderen een rechterlijke machtiging tot indeplaatsstelling als huurder van twee woningen op basis van artikel 7:270 BW Pro, teneinde een woningruil te effectueren. De vordering is ingesteld door een medehuurder en niet door de contractuele huurder, wat door Nijestee als verweer is aangevoerd.
De rechtbank overweegt dat een vordering tot indeplaatsstelling slechts door de huurder kan worden ingesteld en dat medehuurders geen zelfstandig vorderingsrecht hebben. Aangezien de contractuele huurder van de tweede woning nog steeds als huurder geldt en de vordering niet door hem is ingesteld, wordt de vordering afgewezen.
Hoewel er een zwaarwegend belang is vastgesteld bij een woningruil vanwege de gezinssituatie van eiser 1, is de procedurele vereiste dat de huurder zelf de vordering instelt niet vervuld. De rechtbank wijst ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af en veroordeelt eisers in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot indeplaatsstelling als huurder wordt afgewezen omdat deze niet door de contractuele huurder is ingesteld.