Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland
1.De procedure
2.De feiten
nietde indruk verkregen dat de snelheid van het
aanvang van die spooraftekening(aanmerkelijk) hoger moest zijn geweest dan de
beoogde30 km/h
3.Het geschil
4.De beoordeling
- de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht,
vrijwel zekerhet meest van invloed zijn geweest op het ontstaan van ongeval onvoldoende gedragen wordt door de onderbouwing daarvan in het rapport. Die onderbouwing bestaat namelijk hoofdzakelijk uit vermoedens:
mogelijkmaakte de bestuurder een inschattings- of beoordelingsfout en
vermoedelijkals gevolg van een stuurbeweging naar rechts en een (gelijktijdige) remming raakte hij de controle over zijn voertuig kwijt. Het enige dat in die onderbouwing met enige zekerheid wordt gesteld is dat de bestuurder in de bocht iets te veel op de linker weghelft kwam te rijden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom daaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat bestuurdersafhankelijke factoren het meest van invloed zijn geweest op het ontstaan van het ongeval en niet de gladheid van het wegdek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat volgens de politie het wegdek glad aanvoelde, het wegdek licht vochtig kan zijn geweest ten tijde van het ongeval, in verband met de gladheid van het wegdek een snelheidsbeperking tot 30 km per uur noodzakelijk was (het snelheidsbeperkende bord echter ontbrak) en de bestuurder aanmerkelijk sneller reed dan die 30 km per uur. Dit gebrek aan onderbouwing maakt dat de rechtbank de conclusie van de politie niet overneemt.