ECLI:NL:RBNNE:2024:364
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen ongeldigverklaring rijbewijs wegens onvoldoende medewerking aan rijvaardigheidsonderzoek
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het CBR om zijn rijbewijs ongeldig te verklaren wegens het niet volledig meewerken aan het onderzoek naar zijn rijvaardigheid en rijgeschiktheid. Dit onderzoek betrof onder meer urineonderzoek op drugsgebruik, waarbij bij beide afnames verdunde urine werd geconstateerd. Eiser stelde dat hij de instructies had opgevolgd en verwees naar een deskundige die geen diagnose van misbruik stelde. Hij voerde aan dat het CBR zijn zorgplicht had verzaakt en dat hij vanwege zijn hoge waterconsumptie de verdunde urine niet kon voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat op grond van de Wegenverkeerswet 1994 eiser verplicht was volledig mee te werken aan het onderzoek. De vastgestelde verdunde urine, ondanks expliciete instructies, vormde een gegronde reden voor het CBR om te concluderen dat eiser onvoldoende medewerking had verleend. De door eiser aangevoerde medische redenen en korte termijn voor het tweede onderzoek waren onvoldoende onderbouwd.
Daarom bleef het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs in stand. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 6 februari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs wegens onvoldoende medewerking aan het onderzoek is ongegrond verklaard.