ECLI:NL:RBNNE:2024:3656

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
19 september 2024
Zaaknummer
18-740004-19
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:31 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging PIJ-maatregel wegens onvoldoende behandeling en softdrugsgebruik

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 17 september 2024 besloten de PIJ-maatregel van de veroordeelde te verlengen met 380 dagen. De maatregel was oorspronkelijk opgelegd in 2019 wegens meerdere delicten, waaronder bedreiging en diefstal in vereniging. De maatregel was reeds eerder verlengd tot maart 2024.

De inrichting en deskundigen adviseerden verlenging vanwege onvoldoende vooruitgang in de behandeling, met name door het gebruik van softdrugs en het weigeren van urinecontroles. De veroordeelde toonde onvoldoende intrinsieke motivatie voor therapieën zoals Brains4Use en schematherapie. De reclassering is betrokken bij een haalbaarheidsonderzoek voor mogelijke thuisplaatsing.

De rechtbank concludeerde dat ondanks eerdere opdrachten en goedgekeurde verlofaanvragen, de veroordeelde niet voldoende meewerkte en dat verlenging noodzakelijk is voor de veiligheid van anderen en de ontwikkeling van de veroordeelde. De PIJ-maatregel zal voorwaardelijk eindigen op 2 oktober 2025 en onvoorwaardelijk op 2 oktober 2026.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de PIJ-maatregel met 380 dagen wegens onvoldoende behandeling en softdrugsgebruik.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-740004-19
Beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 17 september 2024 in de rechtbank Noord-
Nederland
in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , thans verblijvende in [instelling] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (verder: PIJ-maatregel) van de veroordeelde zal verlengen met 380 dagen.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 3 september 2024, waarbij aanwezig waren:
- de veroordeelde;
  • zijn raadsman mr. A.C. van 't Hek, advocaat te Dordrecht;
  • de officier van justitie mr. S. Broekstra;
  • de deskundige mevr. B.A. Zuure (GZ-psycholoog verbonden aan de [instelling] ).
De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name:
  • het door de directeur Zorg en Behandeling en de directeur Bedrijfsvoering ondertekende rapport met advies d.d. 17 juni 2024, van het behandelteam van de inrichting waar veroordeelde is geplaatst;
  • de perspectiefplannen;
  • de Pro Justitia-rapportage van 9 februari 2024, opgesteld door J. Hoeree (psychiater) en D. van Luijk (GZ-psycholoog);
  • de uitkomsten van het instrument SAVRY d.d. 25 april 2024.

Motivering

De opgelegde maatregel
Bij vonnis van 19 september 2019 heeft deze rechtbank de veroordeelde de PIJ-maatregel opgelegd, wegens (kort gezegd) een drietal bedreigingen, diefstal door middel van verbreking in vereniging, diefstal met geweld in vereniging en diefstal in vereniging.
De maatregel is aangevangen op 4 oktober 2019 en voor het laatst op 21 maart 2024 verlengd met 6 maanden.
Het advies van de inrichting
In het verlengingsadvies wordt geadviseerd de PIJ-maatregel te verlengen met 12 maanden. In dit verlengingsadvies is onder meer het volgende aangegeven.
Ten aanzien van school is de focus verlegd van schoolgang naar het toewerken naar een baan waar veroordeelde tijdens het werken kan leren. Dit lijkt meer passend bij veroordeelde en zijn mogelijkheden. Daarnaast heeft veroordeelde drie positieve urinecontroles (THC) gehad en deelname aan twaalf urinecontroles geweigerd. Ondanks dat de verlofaanvraag op 24 juni 2024 is goedgekeurd, heeft veroordeelde daar geen gebruik van kunnen maken vanwege de positieve en geweigerde urinecontroles. Veroordeelde is begonnen met Brains4Use, maar is niet intrinsiek gemotiveerd en het contact is oppervlakkig. Ditzelfde geldt voor schematherapie.
Sinds juli 2024 is de reclassering betrokken bij veroordeelde en zijn behandeling om te beoordelen wat er gedaan moet worden voor een STP start. De reclassering zal een haalbaarheidsonderzoek doen naar een eventuele uitstroom naar moeder en stiefvader. De inrichting zal MDFT inzetten om inzicht te krijgen in de familiebanden en deze te versterken.
Geconcludeerd wordt dat veroordeelde bij zijn behandeling zelf de regie probeert te houden. Er is tijd nodig om het behandeltraject goed te laten verlopen. Veroordeelde lijkt zich in te dekken tegen teleurstellingen en wijst zijn omgeving af. De hypothese is dat veroordeelde bang lijkt voor succes. Voor de komende tijd is het van belang om vol te houden en stappen te blijven zetten zodat veroordeelde gebruik gaat maken van zijn verlofmogelijkheden en zo succesmomenten opdoet. Hij zal dan ook perspectief gaan ervaren.
De focus van de behandeling ligt op inzicht krijgen in het handelen van veroordeelde buiten de inrichting. Bij een voorwaardelijke einde van de PIJ-maatregel zal hij het huidige vermijdingsgedrag voortzetten en
zal daardoor niet te begeleiden zijn voor de reclassering. Het gekaderd oefenen met vrijheden is dus van groot belang zodat enerzijds inzichtelijk wordt waar veroordeelde tegenaan loopt en anderzijds is de ervaring dat met de start van een verlof en het opdoen van werkervaring er iets doorbroken kan worden. Het ondersteunen bij het opdoen van positieve ervaringen is bovendien nodig, omdat veroordeelde tot op heden niet in staat is om zelf te stoppen met het gebruik van softdrugs.
Het is in het belang van de ontwikkeling van veroordeelde dat de PIJ-maatregel wordt verlengd. Het is nu niet verantwoord om veroordeelde met zijn ingewikkelde persoonlijkheidsproblematiek zaken zelf te laten regelen. De inrichting ziet dit als een risico, omdat veroordeelde op dit moment nog onvoldoende adequate vaardigheden heeft ontwikkeld om zelfstandig iets op te pakken en af te maken en hij daarnaast met tegenslag omgaat met vermijding en het verschuiven van verantwoordelijkheid naar de ander. Het is niet wenselijk om de PIJ-maatregel te beëindigen zonder dat er een resocialisatietraject is doorlopen.
De deskundige B.A. Zuure heeft tijdens de terechtzitting van 3 september 2024 het advies bevestigd en nader toegelicht. Deze toelichting houdt onder meer het volgende in.
MDFT is vorige week gestart.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met 380 dagen.
Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman
De veroordeelde en zijn raadsman hebben zich verzet tegen een verlenging van de PIJ-maatregel ondanks dat een verlenging van de PIJ-maatregel formeel mogelijk is. De inrichting heeft zich niet gehouden aan de opdracht van de rechtbank zoals blijkt uit de vorige verleningsbeslissing van 21 maart 2024. Er is daarom nog steeds een patstelling in de behandeling van veroordeelde. Gelet op de ernst van de indexdelicten en de reeds ondergane duur van de PIJ-maatregel is verlenging niet meer proportioneel.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de overwegingen in het onderliggende vonnis vast dat de PIJ-maatregel niet in duur beperkt is en dus verlengd kan worden, voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaren niet te boven gaat.
In de verlengingsbeslissing van 21 maart 2024 heeft de inrichting opdracht gekregen om concrete stappen te zetten zoals het duidelijk aangeven van de verwachtingen die zij heeft van veroordeelde en het doen van een haalbaarheidsonderzoek naar thuisplaatsing van veroordeelde. De rechtbank concludeert dat de inrichting stappen heeft gezet om de behandelstilstand te doorbreken. Zo is onder meer het MDFT opgestart en is de reclassering betrokken voor onderzoek naar de haalbaarheid van thuisplaatsing. Ook is de verlofaanvraag voor veroordeelde goedgekeurd.
In voornoemde verlengingsbeslissing heeft ook veroordeelde een aantal concrete opdrachten gekregen, zoals het meewerken aan urinecontroles, deelnemen aan Brains4Use en schematherapie. De rechtbank concludeert dat veroordeelde hieraan niet heeft voldaan. Veroordeelde heeft immers veel urinecontroles geweigerd en gebruikt nog steeds softdrugs. Hij is op 7 van de 12 afspraken voor schematherapie op komen dagen. Ook is Brains4Use recentelijk opnieuw opgestart, omdat veroordeelde onvoldoende meewerkte.
De rechtbank stelt vast dat het veroordeelde niet is gelukt voldoende mee te werken aan zijn behandeling. Wil veroordeelde verdere stappen in zijn behandeling zetten dan zal hij sowieso moeten gaan meewerken
aan urinecontroles. Zonder die controles kan de inrichting onvoldoende zicht krijgen op zijn softdrugsgebruik. Hoe het staat met het softdrugsgebruik is weer relevant voor het verlof. Het oefenen met verlof in het kader van de PIJ-maatregel is nodig om uiteindelijk het STP succesvol te doorlopen.
Op grond van de inhoud van de adviezen, de door de deskundige gegeven toelichting en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen vereist dat de termijn van de PIJ-maatregel wordt verlengd. Verlenging van de PIJ-maatregel is daarnaast in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de veroordeelde. Ondanks het tijdsverloop wordt voldaan aan de eis van proportionaliteit.
De rechtbank zal de PIJ-maatregel van de veroordeelde daarom met 380 dagen verlengen.
Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, stelt de rechtbank vast dat de PIJ-maatregel op 2 oktober 2025 voorwaardelijk zal eindigen en op 2 oktober 2026 onvoorwaardelijk zal eindigen.
De rechtbank heeft gelet op artikel 6:6:31 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van de veroordeelde met 380 dagen.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, tevens kinderrechter, en
mr. M.E. Joha en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter terechtzitting op 17 september 2024.
Mr. M.E. Joha en mr. E.P. van Sloten zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.