Eiser is geconfronteerd met een besluit van het CBR waarin hem werd opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid en zijn rijbewijs werd geschorst. Dit volgde op een eenzijdig verkeersongeval waarbij de auto van eiser op de kop lag en hij als enige inzittende werd aangetroffen.
Eiser betwist dat hij bestuurder was en stelt dat hij op de achterbank sliep toen het ongeval plaatsvond. De rechtbank oordeelt echter dat op basis van het ambtelijk proces-verbaal, twee getuigenverklaringen en het feit dat eiser eigenaar is van de auto, het aannemelijk is dat eiser de bestuurder was.
Verder is vastgesteld dat eiser als beginnend bestuurder een ademtest met positieve uitslag had en een bloedalcoholgehalte van 839 µg/l (1,930 ‰) was gemeten. Ook waren er aanwijzingen van alcoholgebruik in de auto. De rechtbank concludeert dat het CBR terecht een vermoeden van ongeschiktheid heeft vastgesteld en het besluit tot onderzoek en schorsing rechtmatig is.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.