ECLI:NL:RBNNE:2024:3999

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 oktober 2024
Publicatiedatum
11 oktober 2024
Zaaknummer
C/18/24/339 R
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 349a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling ondanks berekenend handelen in minnelijke fase

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat verzoeker niet meer kan voldoen aan zijn betalingsverplichtingen. Op de crediteurenlijst staan ook schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan, waaronder belastingschulden en boetes.

Tijdens de zitting heeft verzoeker verklaard dat hij zijn onderneming heeft gestaakt en nu in loondienst werkt, waardoor soortgelijke schulden niet meer zullen voorkomen. De rechtbank acht het beroep op de hardheidsclausule geslaagd en vindt dat verzoeker in staat is zich aan de verplichtingen van de WSNP te houden.

Het verzoek om de WSNP met ingang van 1 juni 2024 te laten ingaan, wordt afgewezen. Dit omdat verzoeker in de minnelijke fase bewust het volledige vakantiegeld heeft behouden en niet heeft afgedragen, wat niet past bij een saneringsgezinde houding. De rechtbank vindt dat een saneringsgezinde schuldenaar structureel maximaal moet afdragen en geen selectieve keuzes mag maken.

De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en wijst een bewindvoerder aan. Het verzoek tot een eerdere ingangsdatum wordt afgewezen vanwege het berekenende gedrag van verzoeker ten nadele van schuldeisers.

Uitkomst: Verzoeker wordt toegelaten tot de WSNP, maar het verzoek om een eerdere ingangsdatum wordt afgewezen vanwege berekenend handelen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
zaaknummer: C/18/24/339 R

vonnis van 9 oktober 2024

[verzoeker] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de namen [bedrijf] ,
KvK-nummer: [nummer] ,
verzoeker,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
De rechtbank op 1 oktober 2024 aanvullende stukken ontvangen voor de WSNP-aanvraag van verzoeker. De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting op 2 oktober 2024.
Daarbij zijn verzoeker en de [schuldhulpverlener] ( [schuldhulpinstantie] ) gehoord.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op de crediteurenlijst die verzoeker heeft overgelegd bij zijn verzoek, staan enkele schulden die naar hun aard niet te goeder trouw zijn ontstaan, waaronder schulden aan de Belastingdienst die totaal € 78.560,-- bedragen Deze schulden hebben betrekking op inkomstenbelasting over 2021 en 2022 en omzetbelasting over het 2e en 3e kwartaal in 2022. Daarnaast heeft verzoeker een schuld bij het CJIB die € 11.016,01 bedraagt. Deze boetes hebben grotendeels betrekking op onjuist parkeren. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat het onbetaald parkeren in de buurt van zijn toenmalige woning, waar een conflict over bestond, tot het verleden behoort omdat hij daar niet meer woont. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat hij zijn onderneming heeft gestaakt en in loondienst werkt waardoor soortgelijke belastingschulden ook niet meer zullen voorkomen.
Op grond van de feiten en omstandigheden die verzoeker ter zitting heeft aangedragen, is de rechtbank van oordeel dat dit beroep op de hardheidsclausule slaagt.
Ook acht de rechtbank voldoende aangetoond dat verzoeker in staat is zich naar behoren te kwijten van de verplichtingen uit hoofde van de wettelijke schuldsaneringsregeling en zich zal houden aan voor hem geldende regels.
De rechtbank zal verzoeker derhalve toelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
Het verzoek om daarbij op basis van artikel 349a van de Faillissementswet 1 juni 2024 als eerdere ingangsdatum voor de looptijd vast te stellen, zal de rechtbank afwijzen.
De rechtbank overweegt inzake dit oordeel als volgt.
Op basis van de schriftelijke toelichting die [schuldhulpverlener] op 1 oktober 2024 heeft verstrekt, stelt de rechtbank vast dat verzoeker over de maanden juni, juli, augustus en september 2024, als gekeken wordt naar het totaal bedrag, in beginsel maximaal heeft afgedragen.
Gebleken is dat de keus voor 1 juni 2024 voorkomt uit de keus van verzoeker het in die maand uitbetaalde vakantiegeld zelf te willen behouden en niet (deels) af te dragen ten behoeve van de schuldeisers. [schuldhulpverlener] heeft in het verzoek alsmede ter zitting verklaard dat om die reden de maand mei niet is meegenomen in het verzoek om een eerdere ingangsdatum toe te passen.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker door deze keus bewust te maken niet laat blijken van een saneringsgezinde houding, hetgeen op zich genomen een reden kan zijn op hem niet toe te laten tot de wsnp. Vanuit een saneringsgezinde houding zou verzoeker immers structureel maximaal moeten afdragen in de aanloop naar de wsnp, en geen selectie moeten maken waarbij maanden met een hoger bedrag aan inkomsten (deels) buiten schot blijven. De rechtbank acht in dit kader van belang dat destijds in mei de eerste aanvraag om toegelaten te worden tot de wsnp al door verzoeker was ingediend.
De rechtbank kiest er echter voor om dit aspect slechts mee te wegen bij de afwijzing van het verzoek om een eerdere ingangsdatum toe te passen, nu verzoeker ter zitting heeft laten zien wel een saneringsgezinde houding te willen hebben.
Ten aanzien van de eerdere ingangsdatum overweegt de rechtbank dat selectieve afdracht (tijdens de minnelijke fase van het traject) en een berekenende keus als het gaat om de te hanteren ingangsdatum, afhankelijk van hoeveel het de betrokkene financieel oplevert in de maand(en) voorafgaand aan de gekozen ingangsdatum, niet past bij hetgeen tijdens een wettelijk schuldsaneringstraject zou worden getolereerd.
Verzoeker heeft derhalve niet aangetoond dat de afdracht gedurende de minnelijke fase van het traject op vergelijkbare wijze tot stand is gekomen als tijdens een wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank ziet in het onderhavige geval aanleiding de gevolgen van deze tekortkoming uit te strekken over de gehele minnelijke fase, dus ook over de periode vanaf 1 juni 2024 tot aan de datum van deze uitspraak. Dit vanwege de bewuste keus die door verzoeker, ten nadele van de schuldeisers, is gemaakt.
Het verzoek om de wsnp te laten ingaan met ingang van 1 juni 2024 komt dus niet voor toewijzing in aanmerking.

BESLISSING

De rechtbank:
­ spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
voorheen handelend onder de namen [bedrijf] , KvK-nummer: [nummer] .
­ benoemt tot rechter-commissaris mr. N.A. Baarsma,
en tot bewindvoerder J.P. Scholte,
gevestigd te Postbus 300, 9400 AH Assen;
­ geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen;
­ wijst het verzoek om een eerdere ingangsdatum te bepalen af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op
9 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.