Eiseres maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een mono-vergistingsinstallatie. Het college verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift niet ondertekend was en eiseres niet had gereageerd op het verzoek dit te herstellen.
De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Artikel 6:5 AwbPro vereist een ondertekend bezwaarschrift, maar artikel 6:6 AwbPro stelt dat een niet-ontvankelijkverklaring alleen mogelijk is als de indiener de gelegenheid heeft gehad het gebrek binnen een gestelde termijn te herstellen. In deze zaak is geen termijn gesteld voor het herstellen van het ondertekeningsgebrek.
Daarom voldoet het college niet aan de voorwaarden voor niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen. Het griffierecht wordt aan eiseres vergoed. De inhoudelijke beoordeling van het bezwaar blijft openstaan.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college moet het bezwaar opnieuw behandelen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/1476
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland
(gemachtigde: J.T. van Bergen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een mono-vergistingsinstallatie aan [adres] in [woonplaats].
1.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit van het college om het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Eiseres heeft ook beroepsgronden geformuleerd die zien op de (inhoudelijke) vraag of het bouwen van een mono-vergistingsinstallatie vergunningplichtig is. Die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank nu niet omdat deze zaak alleen gaat over de (procedurele) vraag of het college het bezwaar van eiseres terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond .Dat betekent dat het college opnieuw een beslissing zal moeten nemen over het bezwaarschrift. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Het college heeft op 14 juli 2023 een omgevingsvergunning verleend aan eiseres voor het oprichten en in werking hebben van een mono-vergistingsinstallatie aan [adres] in [woonplaats]. Het gaat om een vergunning voor het bouwen van een bouwwerk en een activiteit met beperkte impact op het milieu.
4.1.
Eiseres heeft hiertegen op 18 augustus 2023 per e-mail bezwaar gemaakt omdat het bouwen van een vergistingssilo volgens haar vergunningvrij is.
4.2.
Eiseres is door de secretaris van de bezwarencommissie Opsterland per brief van 24 oktober 2023 in de gelegenheid gesteld om voor 8 november 2023 toe te lichten waarom het bezwaarschrift buiten de termijn van zes weken is ingediend. Ook is eiseres gevraagd om identificatie omdat het bezwaarschrift niet ondertekend is.
4.3.
Het college heeft op 13 februari 2024 het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet is ondertekend en eiseres niet heeft gereageerd op het verzoek om dat alsnog te doen.
Overgangsrecht
5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Uit het overgangsrecht dat bij die wet hoort vloeit voort dat op deze procedure het recht van toepassing is zoals dat gold voor 1 januari 2024.
Is het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard?
6. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij de gevraagde informatie inclusief handtekening aangeleverd heeft toen daar om gevraagd is. Zij vreest dat er administratief iets mis is gegaan.
6.1.
Het college heeft het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat een handtekening ontbreekt op het bezwaarschrift. De rechtbank overweegt dat artikel 6:5, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder andere voorschrijft dat het bezwaarschrift moet worden ondertekend. Het gaat daarbij om een fysieke handtekening. Deze eis is gesteld zodat duidelijk is wie het bezwaar heeft ingesteld en of diegene daartoe bevoegd is [1] .
6.2.
De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van eisers van 18 augustus 2023, niet ondertekend is. Eiseres is in de brief van 24 oktober 2023 in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen door een reactie op de brief te ondertekenen, een handtekening in te scannen of een kopie van een legitimatiebewijs mee te sturen. Eiseres stelt weliswaar dat zij de gevraagde informatie heeft aangeleverd, maar zij heeft dat niet nader (bijvoorbeeld met stukken) onderbouwd. Op de zitting heeft het college aangegeven dat er bij het college geen nadere stukken van eiseres bekend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De rechtbank gaat er daarom bij de verdere beoordeling van dit beroep van uit dat de gevraagde ondertekening ontbreekt.
6.3.
Op grond van artikel 6:6 vanPro de Awb kan het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard, als niet is voldaan aan de vereisten uit artikel 6:5 vanPro de Awb, nadat de indiener van het bezwaar de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Als niet voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 6:6 vanPro de Awb, mag het bezwaar niet niet-ontvankelijk worden verklaard.
In de brief van 24 oktober 2023 is eiseres weliswaar verzocht om het ondertekeningsgebrek te herstellen. Daarbij is echter geen termijn gegeven om dat gebrek te herstellen. In die brief van 24 oktober 2023 is wel een termijn opgenomen om het door het college veronderstelde gebrek met betrekking tot de tijdigheid van het bezwaarschrift te herstellen. Maar die termijn is niet verbonden aan de mogelijkheid om het ondertekeningsgebrek te herstellen. Omdat er geen termijn is gesteld aan het herstellen van het ondertekeningsgebrek, wordt niet voldaan aan de voorwaarden uit artikel 6:6 vanPro de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het bezwaar van eiseres daarom ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat het beroep van eiseres gegrond is.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 6:6 vanPro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing over het bezwaar van eiser te nemen. Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Het college moet opnieuw een besluit op het bezwaar van eiseres nemen.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 13 februari 2024;
- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. G. Steenbergen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.