ECLI:NL:RBNNE:2024:4059
Rechtbank Noord-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel bij drugshandel en ontneming
In deze strafzaak heeft de rechtbank Noord-Nederland op 8 oktober 2024 het bedrag vastgesteld waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt geschat. De zaak betreft een vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van voordeel uit meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van handel in hennep, A-olie en methamfetamine.
De rechtbank baseert haar berekening op een gedetailleerd rapport en berichtenverkeer uit Encrochat en Sky-ECC, waaruit blijkt dat veroordeelde samen met een medeveroordeelde hennep en andere drugs heeft verhandeld. De totale opbrengsten bedragen €82.492, waarvan na aftrek van kosten van €56.910 een wederrechtelijk verkregen voordeel van €25.582 resteert. De rechtbank gaat uit van een pondspondsgewijze verdeling met de medeveroordeelde, waardoor het voordeel van veroordeelde wordt vastgesteld op €13.291.
De verdediging betwistte de hoogte van het voordeel en stelde onder meer dat de berekening onjuist was, met name over de bedragen die daadwerkelijk zijn ontvangen en de verkoop van methamfetamine. De rechtbank oordeelde echter dat de berekening betrouwbaar is en wees het verweer af. Verder werd geen matiging toegepast ondanks een eerdere overschrijding van de redelijke termijn, omdat die reeds in de strafzaak was gecompenseerd.
De rechtbank legt veroordeelde de verplichting op om het bedrag van €13.291 aan de staat te betalen en bepaalt de maximale gijzelingstermijn op 246 dagen. De uitspraak is gedaan door mr. W.S. Sikkema, mr. M. Brinksma en mr. M.E. Joha, waarbij laatstgenoemde niet medeondertekende.
Uitkomst: Het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde wordt vastgesteld op €13.291 en hij wordt verplicht dit bedrag aan de staat te betalen.