Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2024 in de zaak tussen
Stichting Hoop voor Hoog Hammen, uit Scharmer, eiseres (de Stichting)
[derde belanghebbende]uit [plaats] (eigenaar).
Rechtbank Noord-Nederland
De Stichting Hoop voor Hoog Hammen verzocht het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen om de boerderij Hoog Hammen aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het college wees dit verzoek af, mede op basis van een inbraak waarbij het interieur van de boerderij ernstig werd beschadigd, waardoor de monumentale waarden sterk waren verminderd. De Stichting stelde dat het college wettelijk verplicht was het pand aan te wijzen en dat de monumentale waarden nog voldoende aanwezig waren.
De rechtbank oordeelde dat het college een beoordelingsruimte heeft en dat artikel 3.16 van de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening een facultatieve bevoegdheid bevatten, geen plicht. De rechtbank vond dat het college in redelijkheid kon uitgaan van de deskundige rapportages van de erfgoedcommissie, die de vermindering van de monumentale waarden na de vernielingen bevestigden.
Daarnaast was het college bevoegd een belangenafweging te maken waarbij het belang van de eigenaar, die het pand agrarisch wil gebruiken en snel wil versterken, zwaarder werd gewogen dan het algemeen belang bij monumentenbescherming. De rechtbank vond deze afweging niet onzorgvuldig of onevenredig. Het beroep van de Stichting werd daarom ongegrond verklaard en de weigering om Hoog Hammen als gemeentelijk monument aan te wijzen bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van de Stichting tegen de weigering om Hoog Hammen als gemeentelijk monument aan te wijzen is ongegrond verklaard.