ECLI:NL:RBNNE:2024:4145
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening intrekking bijstandsuitkering wegens vermeend ontbreken hoofdverblijf
De zaak betreft een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Meppel om de bijstandsuitkering van verzoeker per 18 juli 2024 in te trekken wegens het ontbreken van een hoofdverblijf in zijn woning.
Verzoeker betwist dat hij zijn hoofdverblijf heeft opgegeven en heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit. De voorzieningenrechter oordeelt dat het college de bewijslast draagt om aan te tonen dat verzoeker geen hoofdverblijf meer had. Het bewijs dat het college heeft geleverd, bestaande uit waarnemingen bij de woning, verklaringen van buren en een gesprek, is onvoldoende om het besluit te handhaven.
De rechter verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, waarin wordt bepaald dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven bepalend is voor het hoofdverblijf en dat een tijdelijke afwezigheid van enkele weken niet leidt tot het ontbreken van het hoofdverblijf, mits de betrokkene terugkeert.
De voorzieningenrechter treft daarom een voorlopige voorziening door het besluit te schorsen tot zes weken na het besluit op bezwaar en de bijstand ongewijzigd voort te zetten. Tevens wordt het griffierecht terugbetaald en worden proceskosten aan verzoeker toegekend.
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt geschorst en de uitkering wordt voortgezet tot zes weken na het besluit op bezwaar.